© Magdalena Priscilla Dijkhuizen
alle werken op deze pagina of elders op deze site staan onder de geldende bovenstaande copyright, tevens al reeds (elders) gepubliceerde delen en/of stukken, of tenzij anders vermeld. Extra; de verhalen zijn de versies in ruwe, ongeschaafde uitvoeringen. Daar is en reden voor. Commentaar is namelijk altijd welkom!
Het Schilderij
Bij binnenkomst kijk ik links en rechts van mij de hal in. Er zijn niet zoveel mensen en daar krijg ik meteen een meer ontspannen gevoel van. Ik houd niet van massa’s. Nadat ik me aan het einde van de hal bij de receptie heb gemeld, loop ik rustig naar de wachtruimte en neem plaats, dichtbij de in- en uitgang. Er zit een oudere man en schuin aan de andere kant een deftige dame, die misprijzend naar de figuur naast haar kijkt, een stuiptrekkende junk. Heel even weet ik niet zo goed wat ik moet doen, toch besluit ik te blijven zitten. De zweetdruppels verzamelen zich rond mijn neus en op mijn voorhoofd en ik ben bijna in staat iets uit te trekken. Vraag me meteen af of iedereen dat nou heeft. Ik kan toch niet de enige zijn die in haar hoofd iets doet en daar een haast onbedwingbare behoefte bij voelt?
Als ik opkijk, zie ik dat afzichtelijke doek weer. Schijnbaar kom ik hier te vaak. De kunst van nu kan mij niet zo bekoren, eerlijk gezegd. Ik snap het niet, wil het niet begrijpen en ik kan me er nooit een voorstelling van maken. Blijkbaar kijkt de oudere man naast mij ook naar de schildering en wijst, nadat hij nadrukkelijk heeft gekucht om mijn aandacht te trekken. Ik gun hem de lol. Nadat ik gevraagd heb wat hier de bedoeling van is, dat gewijs, begint de man te praten na een diepe zucht tijdens zijn gepeins.
‘Wat denk jij?’
De korte zin veroorzaakt niets meer, maar ook zeker niet minder, dan een vlaag van verbijstering. Ik denk namelijk het liefst zo weinig mogelijk. De waarheid is natuurlijk dat ik werkelijk niets anders doe, maar dat weet deze man immers niet. Vraagt hij nu serieus wat ik van het afzichtelijke, vol gekalkte kleurding vind? Ik besluit het terug te ketsen, zodat ik niet hoef te bedenken hoe ik hier vanaf kan komen zonder mensen te kwetsen. Je weet maar nooit, wie weet heeft hij het zelf gemaakt!
‘Wat denkt u er zelf van, meneer?’
De man noemt het een duidelijk geval van _horen, zien en zwijgen_ en zakt hierna in stilzwijgen een beetje in elkaar. Zijn schouders hangen nu een beetje, zijn hoofd laat hij op zijn borst zakken en een kort moment heb ik het idee dat hij slaapt. Heel even weet ik niet of ik nu iemand moet roepen, maar dan komt zijn stem weer tevoorschijn.
‘Ziet u, mevrouw. Die twee onderin kijken omhoog naar anderen in een groter geheel. Een deel heeft geen ogen, een deel heeft geen mond. Een ander deel heeft geen oren. Er zijn zwevende vraagtekens…maar ook uitroeptekens.’
De deftige dame begint hekserig te lachen en sluit haar salvo af met een soort knor. Het is een onsmakelijk geluid, eigenlijk. De junk naast haar snift en kijkt schichtig van haar naar de oude man, naar mij en dan eindelijk naar het schilderij.
‘Neen, mijnheer. De twee _peoples_ kijken _neer_ op de domme maatschappij. Dat figuur naast mij bijvoorbeeld, kan daar vast over meepraten.’
De junk knippert met een oog en lijkt niet helemaal mee te krijgen wat de dame zegt over hem. Zoiets zou ik zelf nooit durven zeggen, geen sprake van. Echter, ze lijkt nog niet klaar met haar verhaal,
‘De enige die wel wat voorstelt is het beest in de hoek. Deze heeft oren, ogen en zelfs een neus. De rest heeft dat niet. Hij staat aan de rand en zegt eigenlijk: ik overzie alles en niets blijft geheim. Hij heeft geen mond, omdat…nou ja, we verstaan geen beesten.’
Ik kijk op naar het vreselijke klodderwerk en zie inderdaad het dier in de hoek. Wat gek, hij heeft inderdaad een gezicht, op de mond na. Het getetter van de dame houdt maar niet op.
‘Bovendien zijn er drie zones. Een kleurrijke en twee zwarte, de buitenste heeft wat grijstinten.’
De oudere man zegt meteen dat hij weet waarom. Langdradig vertelt hij het ‘feit van de zones’. Intieme en sociale en dergelijke, heel moeilijk te volgen. Toch raak ik op de een of andere manier geboeid en wil perse weten wat er allemaal zal komen in het verhaal. Hij blijkt echter sneller klaar dan ik kon vermoeden. Het is me duidelijk dat de man denkt dat er een zekere afstand is tussen de twee opkijkende of neerkijkende mensen waarvan je alleen het achterhoofd ziet en de massa zonder werkelijk gezicht. Ik haat massa. Nee, het is meer de chaotische sferen die kunnen ontstaan. Neem een kerk, tijdens de gebeden en de stilte die dan heerst. Dat is prettig, is rustig. Dat kan ik wel aan. Een winkelcentrum op zaterdagmiddag is afschuwwekkend. Gadverdamme. In ieder geval komt er over dat de afstanden centraal staan tussen de mensen, wat betreft de _horen, zien en zwijgen_ riedel. Je hoort wat, je ziet wat, maar met gepaste afstand hou je dat voor je, als respectabele burger.
‘Wat een idioot!’ zegt de dame. ‘Wat vindt jij er eigenlijk van? Hallo, viespeuk met je krampen, zeg eens wat!’
De schokkerige bewegingen proberen zich om te draaien. Ik ben blij dat ik niet tegen hem aan hoef te zitten. Dan ineens begint hij te praten, schor en ik moet goed kijken of het nu een man of een vrouw is. Zijn of haar botten steken genadeloos uit. Ik stel me zo voor dat dit misschien wel pijn doet. Hier en daar. Ik kan het bijna horen, rammelende botten.
‘Ik denk dat de maker rood haar heeft…’
We zijn met stomheid geslagen. De dame, oudere man en ik buigen automatisch naar voren om te zien waarom de junk dit denkt. Wat een rare toestand…hij gaat verder.
‘Want, kijk, zie je…_snifsnif_ …in al het haar zit iets roods…’
Het stomme is, hij heeft gelijk, echter was geen van ons dat klaarblijkelijk opgevallen.
‘De maker haat dat, maar houdt er ook van. Deze wil het niet horen, zien en weten, maar onbewust verwerkte hij dat toch…_snif_...omdat…’
De junk begint weer te stuipen en raakt onverstaanbaar. We schrikken, alle drie, maar onverstoorbaar gaat de junk verder met babbelen. In ieder geval begrijp ik er niets van. Plotseling geeft de dame hem een harde klap op zijn hoofd. Verbazing alom. Niemand durft iets te zeggen. Behalve zij.
‘Wat ben je toch een enge idioot!’
Mijn naam wordt omgeroepen en de huisarts staat klaar om mij een hand te geven. Ik durf het niet aan te nemen en glimlach enkel. Ik zie dat hij beseft wat er met me gebeurt en zonder op te vallen zakt zijn hand. Om vervolgens uitnodigend de kant van zijn kamer uit te wijzen. Ik zet onzeker wat stappen, maar voordat ik de kamer binnenstap, draai ik me nog even om. Ik wilde oudere man gedag zeggen, al weet ik niet echt waarom. Terwijl ik daar over twijfel, lijkt de tijd stil te staan. Ik kijk nog een keer en met een snelle beweging richt ik mijn hoofd de andere kant op. Er is niemand. De stem van de dokter onderbreekt mijn verbazing.
‘Ja, u bent de eerste. Het is lekker rustig vandaag!’
Zoete wraak
Ik staar naar het beeld en na de zoveelste zoekopdracht om mezelf de zekerheid te bieden dat het écht waar is, sluit ik af en voel een lichte verkramping in mijn mondhoeken. Zowaar, ik lach. En daar kan ik helemaal niets aan doen. De twijfel of ik je zal bezoeken is er niet eens, die voel ik simpelweg niet. Met de hand op het hart zeg ik luid en duidelijk dat het me gewoon niets kan schelen je nog eenmaal te zien. Het enige wat je in me oproept, is een gevoel dat ik niet ken. Wel heb ik altijd gedacht dat ik het kende, maar nu voel ik voor het eerst in mijn leven iets waar normaal gesproken iemand zich misschien…schuldig zou voelen? Vreemd? Beschaamd? Ik niet. Echt, handenwrijvend na dit overweldigende nieuws en ik geniet ervan.
De laatste keer dat ik je zag, was op een moment dat ik dit niet verwachtte en toevallig op een belangrijke dag. Je deed wat je eigenlijk het beste kon: een scene maken. Waarom was mij volstrekt onduidelijk, ik probeerde je al jaren te vergeten, dus ik draaide mijn rug naar je toe. In bijna alle gevallen een fout, echter was jij een vijand die me niet langer deren kon. Met je dronken kop ben je het pand waar wij ons beiden bevonden uitgelopen om buiten op de parkeerplaats, hoorde ik achteraf, in je eentje verder te schelden. Echt, ik kon toen niet anders dan lachen, lachen omdat jij voor jezelf een belangrijke mijlpaal in het leven van je tevens aanwezige familie had verpest en ik gewoon genoten heb van mijn eigen mijlpaal. Met mijn eigen familie. Waar jij nooit toe behoorde. Vlak hierna, dat wist ik niet trouwens, hoorde je dat je ernstig ziek was.
Ernstig ziek was je in mijn optiek al jaren. Je was een schoonmoeder waar boeken vol over geschreven werden, worden en zullen worden. Zo’n figuur waar horrorfilms van gemaakt worden! Een prototype. En dan nog een aantal extra’s. Je zoop echt ontzettend en iedere avond was je lam. Daarbij was je ook nog eens jaloers, achterbaks, brutaal, bezitterig en letterlijk knettergek. Dat er nog mensen bestonden die van je hielden, vond ik onbegrijpelijk. Want je was eigenlijk tegen niemand aardig, tenzij je er iets mee kon winnen. En iedereen die jou kende, wist dit. Misschien is dat de reden waarom ik geen rouwadvertenties kan vinden? In totaal heb ik drie berichten elders kunnen vinden die je sterven bevestigden, eerder wilde ik het namelijk niet geloven. Heel even vermoedde ik dat het misschien de reden was van mijn euforie, dat ik het niet wilde geloven. Helaas, nee, ik moest het gewoon zeker weten. En de euforie werd alleen maar heftiger.
Wat er door me heen gaat? Och, alle momenten dat je me het leven zuur maakte. Eigenlijk is er nooit een leuk moment geweest tussen ons, nu ik erover nadenk. Ik haatte je lang geleden nog meer dan dat ik die slappe zak van een zoon van je haat. Men zegt dat haat verspilde energie is, nou in dit geval ben ik het er niet mee eens. Dus ik laat alles vrij mijn geest passeren en nu kan ik er zelfs van genieten. Want je bent dood. Het eerste wat me bereikt is je gezicht met die afschuwelijke bril, die je valse ogen vergrootte, de kwaadaardigheid straalde van je af. Als een verlepte oude plant of een bedorven pudding drilden je rimpels in je grauwe huid altijd irritant aanwezig. Ik hoor je weerzinwekkende lach in mijn hoofd en denk aan die vreselijke handen van je. Echte heksenhanden. Van die gekromde tentakels met dikke harde nagels. Ik gruwde van die vingers! En dan komen alle momenten voorbij waarin je schaamteloos mijn leven probeerde te beheersen. Ja, je vond mij toen een afzichtelijk mormel, dat weet ik ook nog. Ik kan me nog ieder moment herinneren dat je zomaar de kamer binnenliep als ik seks had met je zoon en je dan een heel verhaal afstak. Je deed het erom en dat heb je ook weleens toegegeven. Helaas voor jou vind ik zoiets alleen de eerste keer schokkend. Daarna kan het me niets meer schelen en wend ik niet eens mijn gezicht af en blijf gewoon zitten, liggen of staan in de houding die ik zojuist aangenomen heb. Dat lag niet aan jou, zo ben ik gewoon. Daarom hoop ik, nu ik erover nadenk, dat je die eer niet aan jezelf hebt toegeschoven. Ik vind seks namelijk erg privé, maar vooral ook iets waarbij een ander gewoon niet moedwillig moet gaan storen. Het is net zoiets als eten of het lezen van een boek. Daar hou ik ook niet mee op als iemand me stoort.
Je deed het ook toen die vrucht van je en ik waren gaan samenwonen. Met een pak wijn in je tas kwam je op willekeurige momenten mijn huis binnen. Dat eeuwige verfrommelde shaggie aan je lip en die bruine vingertoppen bezoedelden mijn spullen. Misschien was het dwangmatig, maar je kon nooit anders dan zomaar stiekem in post snuffelen, lades doorzoeken, kastjes openen… Blijkbaar kon je het niet aan dat je geen macht meer had over je zoon en alles wat aan hem vastkleefde. Ja, je zoon haatte je. Ik wilde dat zo ontzettend graag tegen je zeggen, dat je eigen zoon je haatte tot op het bot. Met alles wat in hem zat. En heel gemeen hoop ik dat je gestorven bent met die wetenschap. Dat iedereen je haatte. Al is het maar een idioot die net zo verslaafd is aan alles wat hem kapotmaakt. Zijn verdiende loon overigens, aangezien hij anderen helemaal kapot heeft gemaakt, zijn leven lang. Wat dat betreft had en heb je hem goed opgeleid en afgericht. Hoe je dat gedaan had, weet ik ook allemaal nog. Boven alles voel ik vooral je incestueuze aanpak. De misselijkmakende voorvallen. Het werd me nooit duidelijk hoe het nou zat, ook al vroeg ik ernaar. Je zag je kind graag naakt. Hij moest altijd thuis zijn als je naar bed ging, zelfs toen hij volwassen was. Op die tijdstippen mocht er verder niemand bij zijn. Er werden geen telefoons opgenomen op bepaalde momenten en je zoon had dan later die pijnlijke blik. Een verwarring die ik naïef aanzag als depressie, ongelukkig zijn. Ook belde je me geregeld op om te vertellen wat een rotvent hij was, trouwens. Alsof je over een ex praatte, zo sprak je over hem. Na een ruzie gooide je hem op straat en moest hij maar bij ‘een ander’ slapen. Dat ging vaak zo en dan haalde ik hem op midden in de nacht of op welk ander tijdstip dan ook. Of de avonden dat ik ‘aanwezig’ mocht zijn (haha) en je me dan op de bank had willen vastschroeven, zodat ik vooral niet in bed zou liggen met je levensgezel. Hoe je me toesprak met die alcowalm dat het asociaal was om met je zoon/partner om te gaan, dat was niet eerlijk tegenover jou. Ik was een tijdelijke, goedkope luie zeden. Ik wil wel verder gaan, maar oei dan wordt dit verhaal gewoon te lang. De pointe is dat als iemand niet deed wat je wilde, vooral je kind, dan ‘verbrak je de relatie’. Yuk!
Wat me ook nog heugt, zijn die momenten dat je me een emmer met schoonmaakspullen aanreikte. Je vond dat als ik weleens aanwezig was, ik het huis (het jouwe welteverstaan) moest bijhouden. Dat scheen je bij je voormalige schoondochters ook te hebben gedaan. Zelf kon ik niet anders doen dan lachen. Dat je voormalige schoondochters dat deden, maakte totaal niet dat ik me ertoe verplicht voelde. Nu schrijf ik het op en zie weer wat een belachelijk verhaal het was. Jij vond mij gewoon een ‘luie hoer’. Natuurlijk, later merkte ik tijdens mijn samenwoonverhaal, dat jij en je kind een team waren. Hij haatte je, maar je was ook zijn partner. Ook hij was gewoon zo. Het was gewoon heel erg jammer dat ik dit te laat zag. Want toen lag mijn leven al overhoop. Hoewel ik nu al enkele voorvallen heb aangehaald, was je toch het vreselijkst en walgelijkst op het moment dat je zoon en ik uit elkaar gingen. Levendig kan ik me de achtervolging nog voor me halen, waarin jij dronken achter het stuur zat, mij achterna zonder verlichting in de avond. Als een wilde reed je op me in en het was maar goed dat je lam was. Een nuchter mens, of een sobere versie van jou, had misschien mijn fiets nog geraakt in plaats van de stoepranden.
Tjonge, wat is het toch heerlijk dat ik met een glimlach toch nog aan je terug kan denken. Bedankt daarvoor. Het is net slapstick! Ooit beloofde je me dat je me te gronde ging richten, je zou me uitzuigen en zorgen dat ik zou leren wat depressie was. Je hoopte dat ik mezelf van een brug zou werpen en wanhopig aan je terugdacht, met het idee dat je met je hoorns over mijn schouder toekeek. Je hoopte dat je me desnoods aan mocht sporen. Dit voornemen duurde dus niet lang. Na onze ontmoeting een jaar geleden, vlak daarna deed een van je belachelijke familieleden plotseling ontzettend aardig tegen me. Ik begrijp nu waarom. Ook de opmerking: ‘neem er een roséetje op!’, deze is me nu helder. Ter ere van jou, heb ik je merk wijn gekocht, voor als je me een reden zou geven ooit om te klinken. Uit frustratie. We zullen hem soldaat maken, die wijn. We zullen op je klinken! Vergenoegd sluit ik even de ogen, denk aan wat je hebt doorstaan. Je korte ziekbed was pijnlijk, ellendig en zwaar vermoeiend. Het schijnt je te hebben opgevreten, want van binnen was je al dood. In jou geval kwamen je acties in tienvoud terug. Het is je verdiende loon geweest. Ik ben blij dat de wereld van je verlost is. Hogerhand heeft mijn wildste dromen van wraak overstegen. De wijn zal zoet zijn.
De Kraaien
Ze zag het voor de zoveelste maal, toen ze naar buiten liep. De groep gitzwarte vogels krijste soms naar haar. Het waren er misschien wel tien en altijd daar, samen omringden zij de grootste. De duistere kring presenteerde de leider bijna buigend. Een engerd, met glinsterende kraalogen die haar altijd priemend observeerden. Iedere keer was ze bang dat de kraai, of één van zijn volgelingen, haar aan zou vallen. Al sinds ze hier was komen wonen, dat was nog maar tien dagen geleden, ondanks dat ze het pand al bijna een jaar bezat. Er moest eerst verbouwd worden, de buitenkant was schitterend en echt om van te dromen. Ze was verliefd geraakt op de prachtige klimop over de zijmuren en binnen het hekwerk lag ook een enorme tuin met dikke bomen, perken vol aronskelken en gerbera’s in alle kleuren. Struiken vol seringen en volle lavendelbosjes…het was adembenemend. Meegenomen het zicht op de vijver in een kleine rotstuin, met een bruisende fontein. Het was een mooi gezicht, rustgevend. De binnenkant echter, was uitgeleefd, kapot en smerig. Ze wilde niet eens weten wat er in dit huis was gebeurd, er hadden viespeuken in geleefd. Ze had echter gezien wat er van te maken was en kocht het huis.
Nooit eerder waren de dieren hier, in dit laantje vrijstaande huizen, haar overigens opgevallen, nog nooit. Het leek of ze waren neergestreken samen met haar, om haar weg te drijven. Alsof ze hier niet hoorde. Dat gevoel kreeg ze sowieso wel van haar buren, hoewel op zich niemand elkaar hoefde te zien. Het leek of de paar panden die er stonden onbewoond waren. Niemand trok eens een gordijn opzij, auto’s hoorde ze niet wegrijden, geen spelende kinderen en nooit kwam ze iemand tegen. Het leek allemaal…doods. In de late uren had ze de eerste avonden de kriebels gekregen, maar weet dit aan de nieuwigheid en het feit dat ze alleen in dit grote huis verkeerde. Ze prees zich gelukkig dat het huis geen rare bijgeluiden maakte in de nachten, hoewel anderen dat juist heel normaal hadden gevonden. Een huis, dat bovendien oud was en net verbouwd, moest ‘kreunen’, zoals haar vrienden dat noemden. Haar vrienden hadden haar voor gek versleten toen ze dit kocht om er helemaal alleen in te gaan wonen, ver weg van alles wat ze had. Echter, ze vond het niet erg om iedere dag in totaal twee uur in de auto door te brengen voor haar werk. Voor al het andere, als men haar wilde zien was het geen punt. Logeerkamers genoeg.
Ze liep weer terug naar haar huis, het schemerde al inmiddels en dat wat ze zocht lag niet in haar auto. Waarschijnlijk lag haar mobiele telefoon nog op haar werk. Bijna was ze bij haar voordeur toen een van de vogels luid krassend over haar hoofd voorbij vloog. Het bonzen van haar hart kon ze bijna horen en ze struikelde voorover. Terwijl ze op haar drempel lag, keek ze in paniek omhoog en nog altijd was daar een van de vogels. De rest van de groep zat met hun vlijmscherp uitziende snavels te pikken in de straat, in de voegen tussen de tegels. Als gekken gingen ze tekeer. De groep was inmiddels dichterbij gekomen en plotseling, na een kreet vanuit de lucht, vlogen ze allemaal op en verdwenen in de roodoranje kleurschakeringen die werden veroorzaakt door het vallen van de avond. Nog nahijgend probeerde ze tot haar positieven te komen, toen ze iemand hoorde grinniken. Abrupt hield ze haar adem in en vroeg ze zich af waar het vandaan kwam.
Wie was dat?
Er was niets of niemand te zien. Met een ruk blikte ze naar links en daarna naar rechts. Voor zich…niemand. Uiteindelijk krabbelde ze overeind, kwaad op zichzelf en haar eigen paranoïde gevoelens en toen ze zich omdraaide naar haar voordeur, viel ze bijna weer om. Er stond een kind voor haar.
Het jongetje had dan wel een vriendelijke glimlach, maar iets in zijn ogen maakten haar bang. Ze leken koud, harteloos. Desondanks vroeg ze hem wat hij daar deed. Een open glimlach was schijnbaar al wat hij haar kon antwoorden en hij lachte zijn vale tanden bloot. Plotseling maakte hij een sprongetje en rende weg over het pad, de straat op.
Weg.
De verbijstering kalmeerde haar eveneens en onthutst schudde ze het hoofd en trad naar binnen, waarna ze de drie sloten van haar voordeur vergrendelde. Nog eenmaal gluurde ze naar buiten en draaide zich om, om naar de keuken te gaan. Zoekend in de kastjes naar wat ze zou gaan eten, merkte ze dat de eerdere gevoelens langzaam verdwenen en even later was ze opgewekt, gooide de pannen op het enorme fornuis en begon groente te snijden, hakken en vlees te marineren. Krieltjes gooide ze snel in de koekenpan en erover strooide ze met wat rozemarijn, voor de heerlijke geur. Ze zetten de stereo aan en de ruimte vulde zich met tedere, klassieke tonen. Ingelukkig maakte ze wat pasjes.
Haar gil was oorverdovend, ware het niet dat het jongetje haar onbewogen aanstaarde. Niet in het minst leek hij aangedaan door haar ijzingwekkende geluid en bleef zitten op een kruk aan de bar in de keuken. Niets durfde ze te zeggen, ze deinsde simpelweg achteruit om tegen het aanrecht stil te staan.
Hoe was hij binnengekomen?
Onverwachts hield hij met een korte ruk zijn hoofd schuin en staarde haar aan, met grote donkere ogen. Als de kraai met priemende blik, doorboorde hij haar zelfvertrouwen en het veilige gevoel in huis. Ze begreep er niets van. Plotseling werd ze overspoeld door een sterke verontwaardiging, ook al was het maar een kind, hoe durfde een vreemde haar huis binnen te dringen en zomaar op haar meubels te gaan zitten, of hij thuis was? De kordate stap naar voren zwiepte haar ondersteboven. Ze opende haar ogen en het was donker. Ze rook het verpieterde eten, de vuren waren zacht gedraaid. Even, heel even maar, bleef ze zo liggen op de keukenvloer. Ze voelde de beurse plekken op haar achterhoofd, zoals ze nu op de grond lag. Ze was zojuist gevallen.
Wat was er gebeurd?
De klok sloeg aan, het was anderhalf uur later. Ongeveer. Eenmaal overeind zocht ze tastend naar een lichtknop en eenmaal verlicht zag ze het bloed. Haar bloed, ze had een gat in haar hoofd.
Duizelig pakte ze de hoorn van het telefoontoestel in de gang en belde eerst de politie. Met de kiestoon in haar oren, begon ze zich af te vragen wat ze nu eigenlijk moest zeggen. Ze drukte de knop weer in om de verbinding te verbreken en toetste het nummer in van een van haar beste vrienden. Ze kreeg echter verbinding met zijn voicemail, welke ze hysterisch vol schreeuwde. De hoorn liet ze uit haar handen vallen en ze zakte neer, tot ze gehurkt tegen de muur aan kon leunen.
De voordeur!
Struikelend probeerde ze zo snel mogelijk bij haar voordeur te komen. De sloten waren zoals zij ze had achtergelaten. Een penslot, met de sleutel er in en op slot, het gewone deurslot en een schuifslot. Van binnen uit, gewoon. Snel bedacht ze hoeveel ramen en deuren er waren. Ze hadden gelijk, dit huis was veel te groot! Nog altijd strompelend, was ze iets helderder in haar hoofd en ze ging op de begane grond alle ramen en deuren af, allemaal van binnenuit op slot. Ze klom de trap op naar boven, ging alle kamers af, maar overal was alles hetzelfde. De sloten van binnen uit waren goed vergrendeld. Zelfs het badkamerraam stond niet op een kier. De tweede verdieping met de immense zolder vol troep en dozen die ze nog uit moest pakken was beangstigend, maar ze moest het weten. Eenmaal daar zag ze dat ook de dakkapel gewoon dicht en vergrendeld was. De spots die pas waren ingebouwd gaven een overweldigend licht en op het oog was niets te zien.
Je kunt nooit weten…
Het slepen met de dozen en rommel ging uren duren. Ze móést het weten.
De gouden warmte streelde haar gezicht. Wat een vreselijke droom. Ze zou zweren dat ze het gefladder van vleugels nog hoorde en ze besloot nog even te blijven liggen. Haar hoofd voelde bonzend katerig en de dag kon haar nu al gestolen worden. Nu genoot ze van de warmte op haar gezicht, nog heel even, alvorens ze haar ogen zou openen en het licht een vernietigende werking zou hebben op haar humeur. Vloekend dat ze de gordijnen blijkbaar niet had dicht gedaan, stond ze op en hield meteen halt. De stapel kleding waarop ze had gelegen lag er verfrommeld bij en om haar heen zag ze de dozen. Lege dozen, want ze had alle dozen omgekeerd om er zeker van te zijn dat er niemand in zat, alles was van zijn plek geweest.
Het was geen droom…
Ze probeerde te luisteren, maar er was niets dan stilte, ze schopte het een en ander opzij en liep de trap af totdat ze weer op de begane grond was. Vandaag moesten ze het maar zonder haar doen op het werk en ze zocht naar de telefoon. Eindelijk kwam ze bij het meubel waar het toestel op stond en zag dat haar mobiele telefoon naast haar gewone telefoon lag. Even was ze in de war. Die was ze toch kwijt?
Eenmaal bijgekomen van de slaap, wandelde ze haar keuken in, ze zag dat er was opgeruimd. Of was er niets uit de kastjes gehaald? Het leek allemaal zo ver weg, ze moest het wel gedroomd hebben en daarna was ze misschien gaan slaapwandelen? Ja, daarom was ze op zolder wakker geworden. Was ze gek aan het worden? Het zijn tenslotte maar vogels. Echter, dat jongetje…maar de herinnering vervloog. Eigenlijk wist ze niet eens goed hoe het joch eruit had gezien. Er kon niemand dit huis zomaar binnen komen. Het was niet echt, ze wist het zeker en probeerde de rillingen opzij te zetten. Het was tijd voor een goed ontbijt en ze ging aan de slag. De plotselinge jeuk op haar achterhoofd bracht haar terug naar de werkelijkheid. Bloed. Opgedroogd bloed.
Ik ben gewoon gevallen tijdens het slaapwandelen.
Een lange douche zou helpen.
Tiktiktik
Met ingezwachteld natte haren staat ze te springen om zich zo snel mogelijk droog te krijgen.
Tiktiktik
Nooit heeft ze er tegen gekund, als iemand onverwachts voor de deur stond en alsnog geen geduld kon opbrengen. Hinderlijk bleef het tikken beneden doorgaan. Steeds harder. Misschien was hij het wel? Of niet, het was allemaal niet echt gebeurd. Ze had niemand echt gebeld en geen voicemail vol gegild. Toch?
Tiktiktik
Geïrriteerd gooide ze de handdoeken van zich af, hees zich in een kamerjas en snelde naar beneden.
Tiktiktik
Op zulke momenten vervloekte ze de drie sloten en het getik op de voordeur ging onverminderd door. Woest trok ze dan eindelijk de deur open. Er was niemand. Wel hoorde ze het gefladder alweer, de kraaien waren er al. Behoedzaam liep ze haar pad af en keek alle kanten uit. Ze zag geen mens, alleen maar de kraaien. Pikkend in de straat. Ze zagen er vreemd uit en leken niet erg geïnteresseerd in haar vandaag. Over de straat leek water gegooid, of iemand een sopje kwijt wilde na het dweilen of zo iets.
De zwarte krengen waren óók nat
Ze huppelde op haar blote voeten terug en wilde net haar deur sluiten zodra ze binnen was, toen ze het zag. Kleine butsen in het hout van haar voordeur, niet al te diep maar genoeg om schade te maken. Vloekend hurkte ze neer om te bekijken hoe erg het was. Ze moest een paar keer knipperen met haar ogen om te begrijpen wat ze zag. In de butsen was het rood. Het glom in het ochtendlicht.
Dat was geen water, op straat…dat was…
Ze keek op en een verlammende angst overspoelde haar. De schim van het jongetje, de groep vogels hipte op haar af. Krimpend veranderde de jongen uiteindelijk in de leider van de groep. Hij nam het voortouw en kwam bij haar, zijn scherpe snavel gedoopt en besmeurd, gaf een krijs en al wat ze hierna nog voelde, waren miljoenen steken. Gillen had geen zin, ze zaten overal. Het laatste wat ze dacht…
ssst, Stil maar…het is maar een droom
Levenslicht
Zwevend, de staat waarin ik verkeer. Verzwolgen worden door het zwart om me heen als in een tunnel of een put. Donker en diep, echter zonder echo’s. Ik sta in de schaduw van de dood en wankel, mijn armen maaien in het rond en ik schreeuw, van binnen schreeuw ik. Naar hem of haar, naar iedereen en niemand is daar om naar me te luisteren. Fluisteringen rondom, ik hoor verlangen, vragen, conversatie, maar ook spot. Gedachten spinnen in het rond en schieten langs elkaar heen, de draad ben ik al tijden kwijt. Een rottende emotie, onderhuids etterend in extase omdat in mij altijd iets te vinden is.
Het vermogen het te relativeren ben ik volledig bijster en ik heb geen notie meer van plaats en tijd, te kostbaar en ik voel me zo, zo gehaast…ellende heeft niet mijn voorkeur en toch zoekt het me op. Vretend, knaagt het aan mijn tenen, vingertoppen en als het me uiteindelijk teveel wordt, stort ik in, laat mijn ogen vrij en gun mezelf die paar tranen. De tranen doen pijn, evenals de nijd die ik voel maar ook de gelukkige gevoelens steken in mijn binnenste en ik kan niet anders dan het hoofd laten hangen, dan is de pijn het minst.
Als…wanneer mijn ogen gesloten zijn hoor ik dat geluid weer…die ‘snap’, die inluidde: dit is zo ontzettend mis. Het beeld van spuitend bloed uit mijn mond, ik krijg het niet meer weg. Weer zie ik mijn handen, in een kom als een dorstig gebaar en mijn eigen bloed met krachtige stortvloed naar buiten komen. Het maakt me helemaal stuk, als ik terugdenk aan het gevoel van stolling in mijn keel en in mijn luchtpijp en de verstikking, rochelend te verdrijven terwijl de duizelingen beginnen. Er is nauwelijks over te praten en ik krijg het maar niet op papier, maar ook niet uit mijn geest of dromen. Sinds dat ene moment is daar die plotselinge tunnelvisie. Alsof er een uitsparing is gemaakt om mijn blikveld, met als enige heldere middelpunt een wasbak vol bloed. Mijn mond kon niet meer dicht door de dikke stolsels die mij zo belemmerden om te kunnen ademen en nog altijd weet ik niet hoe ik het drie uur lang uitgehouden heb. Verschillende keren stikte ik in een bloedprop en hielp mijn grote liefde samen met de arts mij om die uit mijn longen te krijgen. De witte muren, de wasbak, de gangen, de stoel…overal bloed…mijn bloed…spuitend in het rond. Net zolang tot de ambulancebroeders kwamen om me met gillende sirenes mee te nemen.
De spoedeisende hulpafdeling was voor mij als een mortuarium en zo ontzettend vaag en ver weg, tegelijk zo aan mij vastgekleefd en de herinnering van de angstige ogen, en de nieuwe stalen bak op mijn schoot, helderrood van mij en mij alleen. Wat een enorme berg bloed, hier kon geen film tegenop! De paniek in de ogen van een ieder en ik die alleen maar dacht: ‘waar zijn de tandenborstels?’ Het wegvallen van bewustzijn is helemaal niet eng en voor de zoveelste keer werd ik geholpen en spuugde ik een bloedprop uit ter grootte van een tennisbal. Piepjes, slangen, naalden, de kleur blauw en flitsend wit en al die mondkapjes rond mijn hoofd. Het laatste wat mij bijstaat is een prop die wegschoot, mijn keel in en een vallend gevoel met het idee dat duizenden handen me omlaag trokken, grijpend met scherpe nagels. Voor het eerst heb ik onthouden dat ik heb gedroomd tijdens een narcose en ik zag mijn operatie van enkele dagen ervoor. Het zware gevoel op mijn maag, een samengeperste druk gevolgd door een harde klap en gillende apparaten. Een stoot op mijn hoofd en het schokkende gevoel in mijn oksels en deze gebeurtenis kreeg een flashback en ik zag wat ik was vergeten.
Mijn eerste grote liefde…een groot bos met enge greppels… de doodskist die ik rebels openrukte, met de verwachting dat deze niet mee zou geven. De beenderen hebben mij maanden bezeten, evenals het trillen van mijn bed in de nachten na het zien van een afschuwelijke film. Massahysterie. Ik zat op een balkon, zingend, met naast mij een blonde adonis met reebruine ogen en een gitaar op schoot met een aura van muzikale geilheid. De familiefeesten, bruiloften van pimps en ho’s en mijn eerste verloving. Nam mijn ‘Aktueel-verslaving’ waar met de reportages van Peter R. en mijn nachten vol gehuil om de Derde Wereld. Zag mijn eerste ontstekingshaard en mijn eerste lijntje coke en zag mijzelf verdrinken in mijn eigen verderf. Mezelf als een kleine meid, in een hoek met een oude man met nog altijd zijn verborgen gezicht maar lichtgevende vingers, gevolgd door Vrouwenhuizen en bezoedelde nachten. Mijn kinderlijke onschuld was vroeg voorbij. Gevolgd door de ontmoeting die mijn leven compleet veranderde en waar ik nu gelukkig in ben.
Toch werd ik uiteindelijk wakker, als laatste herinnering een tinteling, opengesperde ogen en ik dacht aan het tintelende gevoel wat ik inderdaad sinds de eerste operatie op mijn hoofd heb. Een plek die niet aan te raken is, zoveel pijn. Net als mijn oksels, zoveel pijn maar geen ontstekingen te zien. Ik zag een waarheid.
Uiteindelijk werd ik wakker met een zo onwerkelijk gevoel. Later gebeurde het weer, de bloedingen en hoewel de bloeding heftiger was, bleek ik sneller in reactie. Mijn liefste adequaat en goed in het trappen op zijn gaspedaal en binnen een moment alles opgelost. Zoveel anders dan de keer daarvoor, hoewel angst en onzekerheid opspeelde. Een klap in het gezicht. Maar die eerste nabloeding en de ervaring van de narcose…de droom…de gevoelens van die dag…de onwerkelijkheid en het zwarte gat waar ik in gevallen ben en maar niet uitkom. Sindsdien ben ik zó emotioneel. Enkele dagen later zat ik op de stoep, samen met man en kind naar de truckrun te kijken, met de handen op de oren vanwege het helse lawaai bekeek ik mijn gezin en barstte in tranen uit. Het is namelijk niet de gebeurtenis die me angst aanjaagt. Niet het beeld van al dat bloed dat ik toch niet vergeten kan. Het is ook niet het gevoel van ‘nieuw leven’ in mij. De pijn, de onbeschrijfelijke pijn van de schijnbaar uit de hand gelopen simpele ingreep, nee. Al deze zaken niet. Zelfs niet het ontstekingsgevaar en mijn nu verstopte neus en oren, niets van dit alles.
Het is het gemak…het gemak waarmee ik dacht: ‘Dit was het. Ik ga nu dood en dat is goed. Prima, vooruit,’ en de roes die je daarvan krijgt. De berusting, het naast je neerleggen en de droom die je vertelt dat het niet de eerste keer is. Het gevoel van dodelijk vermoeid zijn, dat ik dacht dat het genoeg was en mijn lijf mocht ophouden met vechten. Stikken, verdrinken is niet eng. Het is helemaal waar, de paniek gaat vanzelf voorbij en je berust. Berust in het feit dat je gaat. Dat ik ging. Die gedachten…dat ik die had, zomaar…ik wilde zomaar zeggen: ‘Het is genoeg geweest.’
Die jagen mij angst aan. Maken me aan het huilen steeds, iedere keer dat ik naar mijn leven kijk, de details en gebeurtenissen zo sterk nu koester, omdat het niet erg zou zijn als ik ga, als het maar waardevol is geweest. En dat…is eng, hult me in de zwarte put en vreet me op. Nog iedere dag.
Onverwachts
Wat zei hij nou? Ongeneeslijk? Ziek? Dat is onmogelijk! Hij kijkt naar opzij, waar zijn vrouw hem aankijkt met tranen in haar ogen. Mateloos irritant, zoals zij daar zit. Wacht even…ongeneeslijk en dodelijk?
“Meneer van der Welt? Begrijpt u wel wat ik zeg?”
“Natuurlijk begrijp ik wat u zegt! Het is alleen…onmogelijk! Het is gewoon niet waar!”
“Meneer…ik begrijp dat het schokkend voor u is. Ik breng niet graag vervelend nieuws. Misschien is dit iets voor u en uw vrouw. Er zullen toch …tja…dingen geregeld moeten worden…”
De dokter schuift hem een stapel folders toe. Geregeld moeten worden? Ha! Dit is geen dokter, dit is een idioot. En dan dat wijf naast hem, alsof zij doodgaat. Wordt gezellig, thuis, dat gejank continu, hij heeft er nu al vreselijk veel zin in. Hij is woedend op het figuur dat zich arts noemt en nog nijdiger op zijn vrouw. Met vreselijke uithalen raakt ze compleet over haar toeren en de arts staat op, buigt door zijn knieën en geeft haar een tissue.
“Hey, ik weet niet hoor, maar volgens mij ga ik de pijp uit! Krijg ik geen zakdoek?”
“Meneer, het spijt me, natuurlijk kunt u…”
“Jaja, blabla, ik wil een second opinion of hoe je dat ook noemen mag, ik geloof er geen reet van. En hou jij nou eens op met dat dramatische, aanstellerige geblèr van je! Rotwijf!”
Kokhalzend verslikt zijn vrouw zich in een snik, waarna de stilte volgt.
“Arie? Ik vind het gewoon heel, heel erg…”
“Hou toch op, je kan er haast niet op wachten.”
Na het verlaten van het ziekenhuis, loopt Arie met grote stappen naar de auto, die op de invalidenparkeerplaats geparkeerd staat. In zijn carkit zit zijn mobiele telefoon en hij drukt de sneltoets voor naar zijn werk. Hij wacht niet op Lies, die net bedremmeld achter hem aan holde en hijgend opent ze het andere portier, om vervolgens met een wit gezicht op de stoel neer te ploffen. Wat een klootzak, denkt ze. Al sinds haar puberteit schikt ze zich naar hem, doet wat hij verlangt. Als een keizerin werd ze vroeger behandeld, daar is echt niets meer van over. Drie jaar geleden veranderde hij zo danig, ze herkende hem bijna niet meer. Ja, nu is ze er aan gewend, maar leuk is anders. Nooit eerder is ze zo ongelukkig geweest als de laatste jaren, met zijn humeur, woedebuien en agressie. Nee, ze had nooit aan zien komen dat hij misschien losse klauwen zou krijgen, maar…soms weet ze het gewoon niet meer. Een hersentumor…het verklaart alles. Al die negativiteit kan daarop teruggekoppeld worden. De depressies en scheldaanvallen, zijn groeiende woede. En nog veel meer. Aan de ene kant was ze daarstraks opgelucht: het lag al die tijd niet aan haar! Anderzijds zal hij nooit meer de oude worden. For better or for worse, al moet ze nog verzinnen hoe ze dat gaat doen. Ze kijkt naar hem en ergens is ze blij dat hij zich uitleeft op zijn baas. De speaker staat aan, ze kan het gehele gesprek volgen. Nog even en hij barst uit elkaar.
“Kanker? Dat heb ik al! Krijg ‘m lekker zelf, eikel! Ontslagen, my ass, na twintig jaar dienst, dat zullen we nog weleens zien, mafkees!”
***
Arie zit in zijn rolstoel, ongemakkelijk. Zijn lengte zit hem nu niet bepaald mee. Lies loopt als een slaafse hond de hele dag achter zijn reet aan, hij wordt er knettergek van. De haat naar haar is zo gegroeid en waarom, hij weet het gewoonweg niet. Toch, het is wel handig hoor, ze wast zijn toch al niet zo bijster werkende piemel en gaat altijd mee een sigaret roken. Wel makkelijk, met al die rijdende infusen, geen zuster die met hem dat rookhonk ingaat. Stiekem neemt ze ook steeds lekkere dingetjes van thuis mee, dat kleffe ziekenhuisprutje is hij meer dan zat. Als hij dan toch doodgaat, wat moet hij dan met een aangepast dieet?
“Arie? Moet ik vanavond nog wat voor je meenemen?”
Lies kijkt hem aan en hij ziet dat wat hij niet meer voor haar voelt. Al zo lang niet meer. Wat voorheen nog wel eens zo was, spijt heeft hij daar niet meer van. Het liefst scheldt hij haar de huid vol, zo hard en genadeloos dat ze het weer op een brullen zet en hij haar jankend de kamer uit kan trappen met zijn enige goedwerkende ledemaat: zijn linkervoet. Het is sterker dan hemzelf, onbeheersbaar en soms geniet hij ervan, maar soms…houden de tranen niet meer op. Hij is moe, hondsmoe. Het is niet eerlijk.
“Joh, wijf, je kijkt maar wat je doet! Laat me toch eens met rust met je gezeik, trut…”
“Zo kan die wel weer. Kom, niet zo nukkig. Laat me toch voor je zorgen, ik neem iets lekkers mee, hè? Het hoeft allemaal niet onaangenaam te zijn. Het komt wel goed.”
“Goed? HA! Voor jou ja. Wrijf het er maar weer in, dombo. Kunnen we niet ruilen? Jij een poosje hier, met je ‘onaangenaam’, dan weet je pas hoe en dan…”
“Sst, hou je een beetje in, wat moeten de verpleegsters wel niet denken?”
Met een vrolijk goedemorgen komt een jong ding binnen na de opmerking. Haar redding, wellicht. Arie lacht naar ‘zijn’ zuster en vraagt haar gemoedelijk hoe het gaat.
“Dat kan ik beter aan u vragen, meneer van der Welt, hoe voelt u zich vandaag?”
Kijk. Zo kan het natuurlijk ook. Nee, hij heeft een draak van een secreet van een slap aftreksel van een vrouw. Dat heeft hij. Die nog van hem houdt ook.
***
De kalmeringstabletten van de huisarts helpen niet erg meer. Ze beeft, onbeheersbaar en ze kan niet meer stoppen. Iedere dag weer moet ze hem onder ogen komen. Spuugzat, is een erg mild woord. Het is zo erg en vreselijk, is ze nu een minder mens? Arie doet tegen iedereen aardig en serieus, beheerst en beleefd. Als je al zo lang samen bent, vrienden en geliefden, minaars, waarom moet het dan zo eindigen? De tijd die hem nog gegeven werd, is ruimschoots voorbij. De drie maanden zijn inmiddels verdubbeld en het hart blijft maar pompen en de schunnigheid pompt evenzo zijn smoelwerk uit. Vorige week was ze het eens zo zat, dat ze hem terug heeft geslagen. Hij zette het zodanig op een janken, dat de verpleegsters hem kwamen troosten, nadat hij met zijn beschuldigende kromme vinger naar Lies had gewezen. Zij zien de vele bloeduitstortingen niet op haar benen, de blauwe plekken van het geknijp in haar armen en borsten. De wond van het potlood dat hij door haar hand joeg. Tegen niemand mag ze praten, dan tikt hij haar onherroepelijk op de vingers. Met of zonder potlood. Waren ze dan allemaal zo blind? Lies werd afgekat door de hoofdverpleegster, ze had geen tijd gehad om er over te praten. Net als door Arie. Hoe lang nog moet ze deze ellende doorstaan? Natuurlijk, ze kan ook gewoon niet meer gaan. Echter, ze zou zelf ook niet alleen willen zijn. Hij was toch haar maatje, haar zielsverwant…wat is er mis gegaan? Waarom alleen tegen haar, dat zou Lies wel eens willen weten.
***
Het is een soort bushok, zegt men hier. Arie en zijn consorten noemen het ‘apen kijken’. Men zit hier in een ruimte van twee bij één met een afvoering met zuigkracht tachtig, zijn haar zit altijd goed. Als hij of de anderen zo’n opmerking plaatst, lachen ze hard, gezamenlijk. Het hok staat halverwege de hal op de begane grond en dus moet iedereen daarlangs. Veel patiënten voelen zich te goed om hier te staan en gaan naar buiten om hun sigaret te roken. Arie niet, hij peinst er niet over. In de verte ziet hij zijn vrouw aankomen. Alweer. Hij heeft haar niet meer nodig, vrienden zat. Alleen doodgaan zit er niet meer in! Wat zal Lies balen!
Glimlachend schuift ze de automatisch weer sluitende deur open en komt bij hem staan. Er staat een man bij hen die ze nog niet eerder heeft gezien en begroet hem vriendelijk en vice versa, waarna hij zijn gesprek met Arie voortzet. Even later zegt hij gedag, om zijn vrouw te gaan halen, die inmiddels ook wel trek in een peuk zal hebben, na een narcose of wat. De man verdwijnt en Arie begint te proesten, zodra Lies zelf een sigaret opsteekt. Wat doet ze hier nog?
“Zo, Liesje, kom je me weer vergiftigen met je vitamine K’s? Is het nog niet genoeg?”
“Ja, Arie. Het is allemaal mijn schuld. Zullen we het vandaag gewoon eens gezellig houden? Hé, zullen we weer vriendelijk gaan doen? Hoe was je dag?”
Hoe zijn dag was…jeetje. Wat een mens! Ah, daar komt de man aan met zijn wiebelende vrouw. Kan het toch nog gezellig worden.
***
“Waar gaan we nou weer naartoe? Je weet dat ik niet naar buiten mag, Lies, breng me terug.”
“En anders? Ik wil eens even met jou praten. Aangezien het allemaal nogal lang duurt en ik niet van plan ben om…om…”
“Om watte? Zeg het maar, dan ben je er maar vanaf en kan ik weer terug naar dat lekkere mokkel in dat stinkhol.”
Zie je wel, ze zag het dus toch goed. Het maakte haar daarnet razend en ze stoof met Arie naar buiten. Onderweg had hij geprobeerd de rem op de stoel te zetten, maar dat lukte hem niet. Slappe zak stront. De vrouw die binnen kwam, viel om op het moment dat ze haar sigaret opstak, waarna Arie heel bijdehand en liefjes tegen haar zei dat ze dat ook niet moest doen. Haar man ving haar op en Arie ondersteunde haar door zijn hand onder haar japon te steken en haar billen te strelen. Die tent in zijn broek was met geen weerga te ontkennen. Lies raakte buiten zinnen, ze hebben al jaren geen seks gehad!
Lies loopt door en Arie gaat als een beest tekeer. Het is echt onhoudbaar, ze wilt er vanaf. Dit was het.
“Hèhè, sta je eindelijk stil, achterlijk mormel. Breng me direct terug, wat denk jij wel niet, sloerie uit de sloppen!”
“Ach, vent, hou toch je kop, ellendeput. Luister. We zullen elkaar niet meer zien. Ik heb mijn best gedaan, ik kan niet meer. Dan stik je maar in je eentje, zonder iemand die van je houdt. Geloven doe ik allang niet meer in je, het is voorbij. Verdomme, ik mag niet eens verdriet om of met je hebben. Dat is niet eerlijk, Arie.”
“Eerlijk? Wou je ruilen? Dat had eerlijk geweest. Ik wou dat jij ziek was geworden en ik vergeef het je nooit, dat je me overleefd. Ik had ook wel willen teren op een weduwnaarsuitkering. Wie ben jij nou helemaal? Niemand zit op jou te wachten!”
Zie. Nou is Arie tenminste eerlijk. Lies zegt niets meer en hoopt dat hij iets vernietigends zegt, zodat ze haar verlaten sloot nuttig kan gebruiken.
“Wat sta je daar nou, verwend kreng?”
Oeps. Het holletje af naar beneden. Gillen kan hij al maanden niet meer. Precies zoals ze had gehoopt, viel hij voorover het slootje in. Het wordt stil. Zo stil. Alleen zijn kalende kruin is nog te zien en de handvaten van de rolstoel. Haar binnenzak trilt, ze pakt de telefoon en ziet het ziekenhuis op het display staan. Vrolijk neemt ze de oproep aan.
“Hè? Arie weg? Nee, ik ben al naar huis, we hadden een beetje woorden. Hij wilde zelf naar binnen rollen. Ik weet niet waar hij is, het spijt me. Wat? Ja, natuurlijk! Laat u iets weten, als u hem heeft gevonden? Dank u wel.”
Valreep
Lang geleden begon het samenzijn van de elementen, de er nu voor zorgen dat ze haar acties niet langer wil onderbreken. Het is een hoog gebouw en ze heeft besloten de treden stuk voor stuk te doorstaan. Het was eerder liefde, genegenheid en een volwaardig gevoel dat zij in zich had en met alles wat zij in zich had te geven, gaf zij dat ook daadwerkelijk. Is alles dan voor niets geweest? Kan een gevoel, een emotie zo vernietigend werken dat iemand doet wat zij nu doet? Of wilt doen, gaat doen? Gaat zij het wel doen? Iedere trede slaat daar de twijfel toe. Net als de madeliefjes van vroeger (houdt hij wel van me, houdt hij niet van me) zegt ze in haar hoofd: ‘ja…nee…ja…nee…ja’ en eindeloos dreunen de redenen door.
Een gebouw moet hoog genoeg zijn. Een echte toren des levens, waarop je uiteindelijk kan besluiten wanneer het einde in zicht is. En vooral welk einde. Voor wat. Of wie. Ze heeft de derde verdieping bereikt hoewel zij dat niet verwacht had. Ze had zich dat hijgend voor zich gezien, vanwege de slechte conditie die ze had. Echter, ze had eerder geen reden gezien aan die conditie te werken. Wat heeft het voor nut, als je besluit om te gaan, waarom zou je dan moeite doen het te vergemakkelijken? Nu vraagt ze zich af waarom niet, eigenlijk. Een laatste reis of een definitief besluit zou niet zo vermoeiend hoeven zijn. Het geeft immers een ongemakkelijk gevoel en daar heeft een mens natuurlijk geen zin in.
Iedere keer werd in het verleden het gebouw groter. Steiler en schuiner. Ingewikkelder en mooier. Nee, dit is niet de eerste keer dat ze iets onderneemt om er een einde aan te maken. Wisselend zijn haar memoires en bij iedere keer ontdekte ze dat ofwel de afstand te klein was, dan wel de val verkeerd berekend was. Niets is erger dan voor gek staan als het juist op zo’n moment niet lukt. De misère is dan compleet. Het afvoeren is dan een probleem waar eindeloos over gepraat moet worden, nagedacht, bédacht om weer verder te kunnen in het alledaagse. Na enige verbetering komt alles weer terug. Verdrijven heeft geen zin, wegjagen en erop spugen, niets heeft nut. Altijd komt iets er aan, razend, wervelend en nadat de schade onherstelbaar is aangericht, verdwijnend in het niets. Onzichtbaar als de storm in haar geest. De oude wonden betast om de nieuwe meer te laten schrijnen.
Verdieping vijftien, ze is al op de helft. Even gaat ze zitten, om tot zichzelf te komen. Ze vraagt zich af hoeveel treden de trappen eigenlijk hebben? Misschien is het beter om die lift te pakken, snel naar boven te verdwijnen en zelf op te lossen in het niets. Hoewel, zo komt ze er natuurlijk veel te makkelijk vanaf en nog heel even heeft ze die tijd nodig. Heel even maar. Ze zit nu op een ‘ja’. Toch weet ze helemaal niet zeker of ze dat wil. Wikken en wegen, haar sterrenbeeld klopt precies in zoveel. Hartstocht, maar desastreuze vernietigingsdrang. Passie en verveling, liefde en haat. Het één of het ander. De beste keus bestaat niet, er valt altijd iets te zeggen voor het één dan wel het ander. In de war zijn is een bijna tastbare gave, er is geen pilletje tegen bestand. Ze zou niet zonder kunnen.
Ze zeggen dat hoogtevrees niets meer is dan de drang om te willen springen. Een mens hoort niet in de lucht, deze moet naar beneden. Is dat een kwestie van zwaartekracht? Het schijnt een heel natuurlijk gevoel te zijn. Vroeger was ze bijzonder nieuwsgierig naar dit soort zaken. Hoe zou het voelen? Het besluit, de val die wellicht sneller voorbij is dan je zou verwachten en de klap. Het neerkomen zou afschuwelijk moeten zijn. Ze had vernomen dat dit twee kanten op kon. Een mens ploft uit elkaar als een waterballon of implodeert en je ziet niets. Het kan niet van allebei een klein beetje, zoals eigenlijk alles in het leven. Echter, de werkelijkheid is anders. Altijd. Het bleek wel, van alles een klein beetje. Vrees is angst en haar fantasieën gingen in het verleden ver. Zo zou zij voorheen gewild hebben dat ze eens werd neergeschoten, overhoop gestoken, een vreselijk ongeluk ervaren of in ravijn storten en te pletter vallen. Zonder fatale afloop, uiteraard. Je kan maar één keer echt doodgaan. Zouden dat niet gewoon vragen des levens zijn? Want uiteindelijk zijn deze wensen ingewilligd, nagekomen, zonder zichtbare schade. Zonder fatale afloop…van buiten. En ze loopt verder, naar boven.
Het waait hard, samen met de zon in haar gezicht geeft dit vreemde tintelingen. Met gesloten ogen en haar neus in de lucht staat ze dan op verdieping dertig met een dakterras. Er is niemand. Langzaam laat ze een kiertje vrij om naar de lucht te kunnen kijken. De zon is oogverblindend en toch probeert ze het iedere keer weer. Kijken naar het hart van de dag. Turend bekijkt ze de uitgeveegde wolken in een lichtblauwe hemel, terwijl ze denkt aan dit scenario voordat het einde valt. Eigenlijk is dit te mooi, het zou niet in verband gebracht mogen worden met zoiets vernietigends. Maar…de pracht zou ook kunnen zorgen dat ze anders doet besluiten. Dat is het doel vandaag. Heel langzaam loopt zij naar de rand en ze zucht diep. Hierna blikt ze naar beneden en het duizelt haar. Weegt de kansen af, twijfelt weer. De laatste trede was een ‘ja’. Weer een ‘ja’. Ze vergeet haar eigen afspraak: ga met de laatste trede. Mensen zijn als kleine insecten nu, beneden haar en ze krijgt het benauwd, duizeligheid overmant haar en ze begint te huilen. Al die tijd en energie die ze erin gestoken heeft…haar zoveelste vergissing en haar vroegere wensen vervult. Ja, ze voelt zich genadeloos overhoop gestoken en het was of iemand het finale schot loste in haar borst. De blauwe plekken op haar ziel weer aangedrukt, de troostende kus bleef uit. Wederom had zij zich vergist en ging ze zich in een stads ravijn storten, eindeloos de gebeurtenissen herhalen. Verraad, hoogmoed, verwarring en valse beschuldigingen, dat was het enige wat die ander bewerkstelligde… het veroorzaken van verdriet wat het niet waard is. En nu staat ze toch weer hier.
Haar voet glijdt weg, hoe kan ze zo onvoorzichtig zijn! Tijd om te schrikken krijgt ze niet en ze kan zich nog net vastpakken aan de rand. En nu? Er is niemand, niemand die weet wat ze nu doet en het is rustig, maar te midden van de kleine insecten wil ze geen rommel maken. Heel even houdt ze dit maar vol en ze laat zich vallen. Vallen, vallen, vallen, het einde tegemoet. Er is geen tijd, niet om te denken, niet om te schrikken of te voelen en al zeker niet het leven aan haar voorbij te laten flitsen: er is niets. Ze had gracieus willen zijn, een mooie duik willen maken als wat ze deden met 911, toen de mensen zomaar besloten dat het einde nabij was en er net zo goed schot in de zaak gebracht kon worden. Ze wilde een verpletterende indruk maken, zodat het object van haar verstoorde emoties zou denken: wat was zij schitterend en geweldig. Dat had ze gewild. Het duurt maar enkele seconden en dan komt ze neer. Ze denkt nog; het is waar, de ‘tunnelvisie’ en dan een zachte plof. Niks geen klapper en geen bewonderende uitdrukkingen. Het is gewoon…voorbij. Een enkele traan, eenzaam stervend alleen op haar.
Niets gaat zoals je zou willen.
NB: Metaforische schrijfoefening
De Metroman
Nieuwe tijden zijn aangebroken. Het jaar van de euro, maar nog altijd is de wereld hetzelfde voor hem. Hij riekt behoorlijk en er zijn zelfs momenten dat hij misselijk raakt van zichzelf. Het onpasselijke wisselt echter hele dagen door met het laconieke. Er zijn daadwerkelijk momenten dat hij terstond vergeet dat hij zichzelf bijna kan proeven, om een minuut later te denken dat hij nog wel een dag wassen uit kan stellen.
De tijd dat hij het zich aantrok, heeft hij jaren geleden al achter zich gelaten en tegenwoordig dwaalt hij, na te zijn verstoten door zijn omgeving, door donkere holen en tunnels in de stad Rotterdam. Zijn uiterlijk heeft hij niet mee. In tegenstelling tot de andere straatbewoners zijn zijn ogen bol en dik geaderd. Paarse rivieren zweven door zijn oogwit, dat eerder bruin is. Neem zijn Indonesische afkomst met ook zijn appel-postuur en als hij zichzelf dan plotseling in een winkelruit ziet, moet hij de mensen realistisch gezien gelijk geven.
Ooit werd hij geboren met een hoger doel en terwijl de jaren hebben geleerd dat hij snel vergeet, is hij deze gave nooit kwijt geraakt. Zijn geluksstenen zijn puur en ongeschonden, in zijn bezit gekomen na een lange wereldreis. Niet wetende waar, weet hij toch wat de stenen voorstellen. De edelstukken gaan pas blinken als men ze laat polijsten en schoonbranden. Alleen waardigen zullen dit direct begrijpen. Net als dat ze zullen begrijpen dat ze het niet hoeven te verkopen om gelukkig te zijn. Het gebeurt maar zelden dat hij iemand een steen geeft. De mensheid is een raar vormgegeven verschijnsel, zoals hij het kan bekijken, maar soms is daar dan plotseling die heldere kijk. Om zo’n moment is hij zeer bepalend en rechtstreeks. Hij móet het kwijt.
Vandaag zwerft hij al sinds gisteravond door de tunnels naar station Beurs en het is op dit moment spitsuur. Er worden dagkranten uitgedeeld, straatkranten verkocht en gebedeld naast de kleine vestiging van Albert Heijn. Er zijn werkmannen, kantoormiepen, ambitieuze nietsnutten en studenten, samen met hangjongeren. De overstap van de Erasmuslijn naar de Calandlijn en vice versa is zojuist begonnen en achteloos hangt de oude stinkerd tegen een muur. Recht tegenover hem zijn medewerkers van de RET bezig een junk overeind te helpen. De jongen laat zijn dreads alle kanten opvliegen en het schuim loopt uit zijn mond. Toch, de oude man maakt zich geen zorgen. Ooit, denkt hij, komt het met hem wel goed en terwijl hij zich omdraait om dit pijnlijke moment snel uit zijn hoofd te verdrijven, voelt hij haar. Eerst denkt hij dat het haar pak is, maar ze is gewoon die kleur. Een paarse gloed, vermengt met turkoois, een zeldzame combinatie. Het doet hem niets dat ze samen met nog een paar jonge vrouwen loopt en haar blik doet hem pijn. Ze kijkt naar de grond, de gepijnigde frons overheerst en haar hakken stampen. Ze stopt, omdat hij voor haar is gaan staan.
Het gezelschap om haar heen staat een meter verder en opgetrokken lippen geven hier en daar een kreet. Zij echter niet. Ze kijkt naar hem en haar frons verdwijnt, zodat haar groenblauwe ogen hem op kunnen vallen. Het past haar. Kleine donkergrijze druppels in de irissen en het diepe zwart in het midden geven hem de kans te zien dat het met dit jonge mens niet goed gaat. Hij pakt haar hand, zij laat dit toe en terwijl hij haar zachtjes streelt, voelt hij dat zij zich ontspant.
“Jij bent een bijzonder meisje.”
“Meisje? Ach…”
“Het zal erger worden in de toekomst en je weet waar ik over praat. Zou je even naar mij willen luisteren?”
“Natuurlijk, eh…”
“Edo.”
“Edo? Hm. Dat zou je niet denken. Edo.”
“Jouw naam is Bijbels, wist je dat?”
“Ja, dat wist ik. Nog steeds, overigens.”
De andere vrouwen staan al bij de metro, al stappen ze niet in. Ze zullen wachten, niet ingrijpen. Daar zijn ze te schijterig voor.
“Ik zou je graag iets willen geven.”
“Dat mag. Wat dan? Of zal ik mijn peperspray even pakken?”
Edo schaterlacht en samen hinniken ze nog een tijdje. Totdat zijn blik weer serieus wordt en vermoeid. Hij huilt, zacht en laat haar hand naar zijn gezicht leiden. Ze beantwoordt dit door zijn tranen weg te vegen en de besmeuring is duidelijk zichtbaar, vooral omdat haar zachte en schone vrouwenhand zo’n duidelijk contrast is: blank en ongeschonden tegen zijn donkere viezigheid.
“Niet huilen, Edo. Wat is er aan de hand?”
“Vandaag zal ik zo veel mogelijk negatieve straling wegvoeren, geloof me, alsjeblieft. Stop met je studie, het is het niet waard. Jij zult beroemd worden omdat je mensen helpt.”
“Stoppen met de studie? Nou, dat neemt mammie je niet in dank af hoor, Edo!”
“Gewoon stoppen, je kunt beter. Het zal alleen heel lang duren, eer je beseft wat je rol hier op aarde is. Je zult beproevingen moeten doorstaan, de goot moeten leren kennen en vreselijk ziek moeten worden om dat te begrijpen. Je zult bedonderd worden waar je bij staat, maar het zal blijken dat het je allemaal waard zal zijn.”
“Jezus, Edo! Kan je me niet gewoon vertellen of ik oud word? Of dood ga aan een vreselijk auto ongeluk?”
“Hier, wacht even,” zegt hij terwijl hij een smoezelige blocnote pakt, waarna hij drukt begint te krabbelen.
“Wat is er dan aan de hand? Wat gaat er gebeuren?”
“Hier. Dit nummer zal ik over tien jaar hebben. Op dit telefoonnummer zul je me over tien jaar moeten bellen. Ook al zul je het kwijtraken, jij en ik komen elkaar weer tegen. Zodat je me kunt vertellen hoe het je gelukt is.”
“Wat gaat er dan gelukt zijn?”
“Meisje, dat kan ik je niet zeggen, hè. Houdt vast: een zeven, een drie en een tien. En dit nummer. Je zult zien dat dit het allemaal waard zal zijn geweest. Stop vandaag die dure studie en die vernielende gewoonte van je, je weet dondersgoed wat ik hiermee bedoel en ga daarna. Kies daarna. Die weg zal de goede zijn. Weet: zeven, drie, tien. En dit.”
Ze kijkt naar haar handen, ze liggen vol. Een foto, een nummer en…ze kijkt op en ziet hem niet meer.
“Edo?” haar gil laat hem verschijnen in de massa, de wereld leek net nog stil te staan. “Wat moet ik met dat brokje?”
“Draag het, op je hart het eerste jaar. Ga, mijn meisje, ga!”
Ze gaat. Haar laatste dag als studente om de goede weg in te slaan.
Het brokje op haar hart.
NB fragment uit: De Metroman
De Selkie
Oorspronkelijke zeebewoners leefden in de omgeving van de Schotse Shetland-eilanden, vermomd als normaal uitziende dieren.
Mensen durfden door de eeuwen heen in goede of kwade zin geen zeehonden te doden, uit angst voor de magische kracht die een volksverhaal nu eenmaal teweeg bracht, nog steeds brengt, in de bevolkingssfeer.
De legende die vertelt over de zeehondvrouwen. Hun afneembare pelsvacht, waardoor zij veranderden in verblindende schoonheden. Menselijke maagden, lange benen, slanke halzen en lange krullende haren tot aan hun enkels, gedecoreerd met zeewier, koralen en schelpen. Het parelmoer glanzend in de zonnestralen. Om vervolgens terug te transformeren naar de zeehonden, die zij eigenlijk waren.
Nog steeds wordt het verhaal verteld, in de avonduren, over de Maagden der Oceanen, aan kinderen met glanzende ogen luisterend. De magie opnemend en dromend over schone wezens, die leven ver buiten de landsgrenzen op aarde.
Lang geleden woonde aan zee een boer, geroemd om zijn vrijgezelle bestaan en zodoende begerenswaardig. Als hij zijn weg vervolgde naar het dorp en daar aan kwam voor het opdoen van handel en kennis, vielen vrouwen, jong en oud, in katzwijm. Verlangend naar zijn glimlach of een vriendelijk woord. Doch, al lang geleden heeft hij zijn liefde des levens gevonden. Sedert deze dag der ontdekking, heeft hij geen andere vrouw meer bekeken, laat staan aangeraakt.
Een glimp ving hij maar van haar op en vanaf die dag keek hij iedere dag naar de rots, waar zij zich toen op bevond. Net zo lang en zo vaak, tot hij uiteindelijk langzaam aftaande en het simpelweg opgaf haar ooit nog terug te zien. Maar nimmer zou zijn liefde voor haar bekoelen.
De eerste dag van de lente brak aan en de boer maakte een wandeling over de duinen en de rotsen, aan de rand naar de zee en plotseling werd zijn gehoor beroerd door het mooiste lied dan hij ooit eerder had gehoord. De stem, overvloeiend in het geruis van de golven, zong in vreemde talen.
Langzaam naderde hij haar, geruisloos sluipend als een dier op zijn prooi. Per ongeluk struikelde hij over een hoopje schelpen, waardoor zij zich omdraaide en hem aanstaarde met haar zeegroene ogen, met schuimkleurige ringen om haar iris. Groot en bedwelmend, de schrik gaf hem bewusteloosheid in haar betoverende staring. Het laatste wat hij waar kon nemen, was haar zilvergrijze bont. In zijn dromen het geplons in de oceaan om haar verdwijning te bewerkstelligen.
Ontwakend aan de voet van de rots, kwam hij tot de ontdekking dat zijn Grote Verlangen was verdwenen. Het grote verdriet slaagde er in hem in korte tijd te overmeesteren en alvorens hij weer aankwam bij zijn boederij, hem zo klein te maken als een gevoelsmatig kind. Kwijtgeraakt was hij haar weer. De wil haar voor zichzelf te verkrijgen versterkt.
Zoals een ieder in die tijd, leefde hij voor zijn arbeid en probeerde hij zo goed en zo kwaad als hij kon, zijn bestaan voort te zetten. Iedere seconde van de dag denkend aan haar wezen. Hij verwaarloosde langzaam maar zeker zijn huis en haard en weigerde nog een nacht te slapen.
Zijn dieren vergingen van de honger, uitgeteerd in zijn uitgestrekte velden. Roerloos zittend, op zijn veranda in afwachting van de weerschijning van het object der dromen, werd hij op een dag bezocht door de oude vrouw wonend op de heuvel. Dorpsgenoten noemden haar een heks, verzocht door de Grote Goden om te vervloeken, een ieder die zich kwaadaardig uitte.
Uitgaande van haar houding, zou men niet zeggen dat deze heks de kracht zou kunnen bezitten, om het leven van de verloren gaande boerderij, nieuwe energie in te blazen. Zij omhelsde de boer, gaf hem haar kruidige melange en zij sprak de opdracht uit hier een thee van te trekken. De volgende morgen is het weder de eerste lentedag van het jaar en het is nu een jaar geleden dat hij zijn Grote Verlangen voor het laatste had gezien. De oude heks zei hem dat hij de zilverbont van de droomvrouw moest stelen en daarop zou zij hem volgen en hem schenken waar hij zo desperaat naar verlangde, al twee jaren lang. Maar zijn broodnodige energie voor deze missie moest wel opgedaan worden door een nacht goede rust.
Hij gehoorzaamde aan de vrouw en deed wat hem opgedragen werd. De oude heks verliet zijn erf en hij trad zelf zijn taak tegemoet.
Bij opkomende zon, wekten de eerste gouden stralenkrans de boer. Pienter en uitgerust, verwelkomde hij de eerste lentedag van het jaar en sprong daarbij zijn lakens tussenuit. Vandaag had hij maar één doel. Het bemachtigen van de belichaming van zijn hartstelende creatuur der natuur. Op weg ging hij, zijn toekomst tegemoet.
Hij zag haar, als een schaduw op haar rots. Haar krullende manen glinsterend in de eerste lentegeuren. Haar zilvergrijze bont bevond zich schuin achter haar en zijn duivels brein berekende hoe hij het beste kon toeslaan. Ditmaal zou hij goed wijken voor hoopjes schelpen en zo geruisloos mogelijk besloop hij zijn doelwit.
Uiteindelijk griste hij de pelsvacht van de rots af en nimmer was hij ooit dichterbij geweest dan nu. Zij draaide zich weer om en haar grote pupillen staarden hem weer aan zoals een jaar geleden, maar dan met een onvertaalde angst. De boer schrok van deze aanblik zo erg, dat hij pardoes van de rots viel, zo de oceaan in, verdwijnend in de golven. Om uren later wakker te worden in het zand, zijn tenen zachtjes beroerd door aftanende golfjes. Nog altijd had hij het bont in zijn armen geklemd en zijn droomvrouw bevond zich enkele meters verderop, wiegend in het zand. Wachtend op haar vacht, waar hij geen afstand meer van wilde doen.
Zij volgde hem inderdaad, zoals voorspeld was door de oude heks. Zij kon gniffelen in haar hut, hoog op de volgende heuvel. De boer verheugd met de verbetering in zijn leven en boerderij, trouwde hij uiteindelijk zijn zeehondvrouw, nadat hij het zilvergrijze bont had verstopt. Ja, ze had hem verteld dat haar aardse tijd spaarzaam zou zijn en ze niet voor altijd aan land kon blijven. Maar hij wilde de hoop dat hun samenzijn voor altijd zou zijn, niet laten varen. Dus hij verraadde haar, verstopte haar halve lichaam in de wetenschap dat zij hem nooit zelf zou kunnen terugvinden.
Uiteindelijk zou zij zeven jaren bij hem blijven. Ze bleek een ware dierenfluisteraar en al wat levend was, vertrouwde haar tot in het diepste van de ziel. De boer prees zich gelukkig en werkte hard voor zijn bestaan. Hij koesterde de hoop dat hij daarmee zijn vrouw gelukkig kon maken, want nog altijd had zij een diep bedroefde uitdrukking en in de loop der jaren veranderden haar kleurige zeegroene ogen in ijsblauwe poelen, die in zichzelf leken te verdrinken. Wel schonk zij hem vijf zonen, met allen zijn haarkleur, maar haar ooit zeegroene ogen.
Ieder jaar op de eerste lentedag, trad zij naar het dorp met haar vijf zonen, om te zingen voor het seizoen. De rots dwong haar terug te keren , voonaar de oceanen, maar zonder haar pelsvacht zou zij sterven in de ruisende golven. Zodoende zong zij zo ver mogelijk als veilig was.
Op de achtste lentedag, zeven jaar na hun samenkomst, zong de Selkievrouw haar lied. Dorpsbewoners bleven ieder jaar weer staan luisteren en glommen van geluk of verdriet. Het lachend werd verhoord en tranen bleven vloeien. De burgers konden dit na zoveel jaren, zelfs niet op deze ene dag, niet meer aan. De boer moest zijn vrouw vragen niet meer te zingen op de eerste lentedag van het jaar. Zo geschiedde en de Selkievrouw gehoorzaamde.
De komende zes maanden zagen de zonen van de boer, dat hun moeder in conditie verslechterde. Haar haren werden zilver en leken te bevriezen. Steil wezen de haren naar beneden, hard en breekbaar. Haar huid werd paars en daarna blauw. Om daarna de totale kleur te verliezen. Op een goede dag begon ze te rillen, om nooit meer op te houden. De boer maakte zich zorgen, evenals zijn zonen. Maar haar verliezen aan de oceanen door haar terug te sturen, was nog altijd erger dan haar te zien sterven en te kunnen begraven. Een plek om naar terug te keren, om met weemoed aan haar terug te denken.
Op een hete zomerdag aan het einde van het zonneseizoen, zag de oudste zoon zijn moeder zitten in één van de velden. Zo jong als hij reeds nog was hij kon het niet meer aanzien, zijn moeder te zien verteren. Zelfs van zo veraf, kon hij zien dat ze rilde en hij hoorde in de zachte voorbijkomende bries, het geluid van kristallen welke tegen elkaar aan deinden in de wind. Hij besloot een einde te maken aan haar lijden. Zo snel als hij kon, rende hij naar de geheime verbergplaats van zijn vader. Door hem te verraden zou hij de ultieme liefde en vergeving van zijn moeder winnen en dat woog uiteindelijk toch zwaarder. Hij hield van haar, oneindig veel, meer dan van zichzelf. Dus hij gaf haar de andere helft van haar leven. De zilvergrijze pelsvacht.
De vacht was warm en bracht de kleur terug op de konen van zijn moeder. Hij voegde zich bij haar en samen vielen zij in slaap.
De volgende ochtend ontwaakte hij pas, maar alleen. Zonder zijn mooie moeder. Een moment sluit hij zijn ogen en herinnerde hij zich weer wat zijn moeder tegen hem zei, toen hij slapend in haar armen lag. Ze had zijn hoofd gestreeld en gevraagd of hij nu over het gezin wilde waken. Dan zou alles goed zijn. Om haar sterven te beëindigen, zou zij terugkeren naar de oceanen en beloofde zij om ieder jaar, op de eerste lentedag, terug te keren voor hem en zijn broers. Hun een lied te brengen met haar zeekinderen. Zijn halfzussen zou zij meebrengen en met zijn allen zouden zij een dagmoment samen zijn.
Na de ontdekking van haar afwezigheid, werd de boer ziek van verdriet. De zonen zouden de rest van hun vaders leven voor hem moeten zorgen, hij was nimmer meer in staat zijn bed uit te komen. Maar ieder jaar, op de eerste lentedag, verlieten zij hun vader. Voor de rest van hun leven zouden ze nooit kunnen vergeten dat zij Selkies zijn, afstammelingen van de zeehondvolkeren. Een beschermde diersoort.
NB fragment uit: Sprookjes en Legendes
Oceaanbreed
Voetstappen in het zand, de schuimkoppen kietelen mijn tenen. Het is me geheel onduidelijk waarom dit mij zo’n moeite kost, daar ik zelf de rigoureuze besluiten heb genomen in mijn vroege kinderjaren. Of is dat niet waar? Nam eigenlijk een ander dat besluit? In ieder geval de volgende en daar kon ik helemaal niets mee. Nog steeds niet, eigenlijk. Als ik dan tenminste eerlijk ben.
Eerlijkheid. Over de post kreeg ik iets toegestuurd dat me wél duidelijkheid had moeten geven, echter…ik raakte in de war. Verschrikkelijk, zelfs. Was het allemaal mijn schuld geweest? Dat kan toch niet? Niet volgens papa en mama. Of mijn vrienden. Zelfs in gedachten kan ik het niet voor elkaar krijgen er een zinnig verhaal van te maken, wil ik het niet benoemen en liever nog; ik wil er niet aan denken. Geenszins. Zelfs nu ik volwassen ben, beheerst het mijn gedachten, de emoties…de vinger op de zere plek. Dit ís een zere plek, mijn plek en een oneindig zicht op iets waar de overkant geen vermoeden van heeft. De zee blijft zich aan mijn voeten opdringen, mijn schoenen heb ik al een half uur geleden in het water gegooid, symbolisch, misschien vindt zij ze wel. Had zij ooit kunnen vermoeden, dat het zo zou lopen? Het leven? Zou zij enig idee hebben wat het uiteindelijk opgebracht heeft? Het is haar schuld niet. Net zo min de mijne.
Het was in Parijs dat ik de winkelier vroeg wie de kunstenaar was. Het miniatuur dat voor me stond had iets wat ik herkende. Precies benoemen wat het was, kon ik niet. De geur? De stijl? Het schrift in het signatuur? Het object droeg de naam ‘Morgana Infinito’ en er was een hele serie van. Het thema is een meisje in schuimkoppen. Exact als dat ik nu voelde, zo werkelijk, zo realistisch. Zeer kunstig en gedetailleerd. De kunstenaar was ooit geïnspireerd door een meisje die deze zag in het buitenland. Het meisje maakte zo’n indruk dat de kunstenaar zijn drempel overstapte en het creatieve brein het werk liet doen, in samenwerking met de handen, omdat dat ene beeld zoveel losmaakte, het deed waarschijnlijk pijn. Na deze uitleg, vroeg ik de winkelier of hij meer kon laten zien van deze serie. Natuurlijk bezat hij een speciaal boek en dat haalde hij uit een kast, om mij te laten zien wat er in deze serie gemaakt was. Hij vertelde dat er van iedere sculptuur maar één bestond. Vertellen waarom dat zo was, kon niet, dat was niet bekend. Het was puur handwerk en de kunstenaar was klein begonnen en werd per ongeluk bekend, beroemd en berucht. ‘Morgana Infinito’, het merk dat op de schoorsteen moest staan, mocht je jezelf succesvol noemen. Aan het einde van de catalogus prijkte een foto. Een duidelijke, heldere foto. De oogopslag, zoals de mijne, de kleur zoals de mijne en…ik liet het uit mijn handen vallen en kon niet anders dan verbijsterd de winkel verlaten. Het was pas hierna dat ik nieuwsgierig werd, benieuwd naar wat de bedoeling was geweest. Ooit. Om precies te zijn; pas toen ik terugkeerde naar Nederland. Mijn onthutsende ontdekking, wat mijn ouders altijd verzwegen hebben. Om mij te sparen, na alle ellende die op me afkwam. Om het verleden te kunnen afsluiten, wilde ik het tot op de bodem uitzoeken.
Het meisje heette Morgana en daarom het handelsmerk. Zij was de spil van de reden tot het verdienen van bakken met geld. Ere, wie ere toekomt. Ik kan het ook niet anders zien. Ze was een vervanging en dat trok ik mij persoonlijk aan. De kunstenaar, de post. De pot en de deksel. Ooit was ik die inspiratie totdat er geen positiviteit meer gaande was. De band onherstelbaar beschadigd raakte en geen geld meer opbracht. Ik voelde mij verraden. Naarstig ging ik op zoek, alle informatie die ik kon vinden sloeg ik op en bewaarde ik, zodat ik mezelf kon bewijzen dat dit echt gebeurd was. Zomaar, ik was vergeten. En nog altijd kan ik niet zeggen waarom. Niet omdat ik het niet weet…ik kán het gewoon niet! Zelfs heb ik contact gezocht met de inspiratiebron, gewoon om te weten wie ze was en is. Of ze weet dat… maar neen. Wel bleek zij erg aardig en ik ontdekte dat als ik in het noorden van het land op een punt van vasteland naar de eilanden ging staan, ik loodrecht op haar woonplaats zou kunnen uitkijken. Mits het niet zo ver weg zou zijn. Geografisch gezien in ieder geval wel.
Dan, op een dag als vandaag, maak ik de reis, met de trein. Ga ik naar dit punt, waar ik nu sta en hoop ik dat zij uitkijkt aan de overkant, op zoek naar mij. Het gaat te ver om te denken dat zij zich net zo aan mij verwant voelt, als ik aan haar. Ook al voel ik dat zelf wel zo. De feitelijke afstand is zo niet te overbruggen en ik kan schreeuwen wat ik wil; zij hoort me niet. Net als de kunstenaar. De hoop vervliegt nu niet, wellicht kan ik vanavond slapen.
NB fragment uit: Voor Altijd
Het verlaten zwanenjong
Het had gevroren en toen hij luisterde naar de lieflijke geluiden van wintervogels en het zilveren seizoen opgesnoven had, waagde hij het er op zijn lange hals te ontvouwen.
Openend zijn ogen, de wereld om hem heen aanschouwend, kwam hij nog waas van de slaap tot de ontdekking dat hij alleen was. Zijn hoofd langzaam heen en weer halend, ontsnapte een verbaasde klank uit zijn snavel. Hij probeerde op te komen, om al dartelend zijn famile te zoeken.
Zijn flappers gaven geenszins mee, hij kon geen kant op. Lichte paniek borrelde op en steeds harder roepend, onderwijl zich loswrikkend, probeerde hij minstens zijn moeder te lokken. Zich afvragend wat er mis was, in doodsangst en hulpeloos verloren in het grijze stadium van de dag.
De zon begon te schijnen en streelde zijn hoofd, snavel en zijn bijna volledig ontwikkelde vleugels. Uiteindelijk leek dit betoverende goud de massiviteit rond zijn flappers te doen brokkelen, maar hij kon niet meer en wilde zonder zijn familie niet meer verder. Hij gaf op…uitgeput.
Mensenkreten wekten hem en bijna roerloos opende hij zijn ogen. Troebel kijkend naar zijn zogeheten, oeroude, vijanden. Het mensenkind dat achter de Groten verbaasd bedremmelde aanwijzingen gaf, zag hij en hij herkende haar. Het kind, zo klein, meer nog dan zijn eigen lengte. Geen dag sloeg zij over om hem gedag te zeggen. Te groeten voor een dag zonder zorgen.
Hij voelde wat zij voelde. In de steek gelaten, gebrek aan geduld en het achteloos ervan uitgaande dat het jong zich zou redden. Hij koos er voor op dit moment, te vechten voor de voortzetting van zijn kostbare leven, in de hoop ooit terug te vinden wat hij zojuist verloren had.
Eenmaal los, vloog hij op haar af, de Groten negerend, om haar diep in de ogen te staren. Ze streelde hem en een traan stierf op haar glimlachende lippen. Hij was weer vrij.
Hij zette door en leefde zijn bestaan in de vijver waar hij ooit geboren was. Het kind groeide, evenals hij en samen groeiden ze uit tot mooie wezens. Haar haren langer, haar ogen stralender. Zijn veren wit en strakgevormd. Ze bleef hem trouw, ieder morgen. Genas hem met haar liefde.
Nu, vandaag, zwemt hij samen met zijn geliefde. Samen met haar op hetzelfde moment, streek zijn geliefde neer. Het kind zei dat het goed was en sindsdien leeft hij voort om samen met haar, te laten zien dat hij sterk kan zijn. De vijand redde hem en gaf hem de liefde. Zijn familie heeft hij nooit meer gezien, maar zij…
Zij komt iedere dag nog gedag zeggen, spelend met zijn pasgeboren kinderen.
NB fragment uit: Sprookjes en Legendes
Paranoia en Goede Voornemens
Ze zijn ergens in Limburg, de plaats is ze alweer vergeten. Het kan Tricia ook vrij weinig schelen, ze zit hier nu op het perron met alle mensen die zojuist het hol hebben verlaten. De bass zit nog in haar kop, of is het haar hartslag? Ze weet het niet. Met wie is ze hier nu ook alweer? Ah, bekende gezichten; Bart en Thomas. Ze weet nog wel dat ze heeft gevochten vanavond met een _overdopete_ magere Hein in een trainingspak. Hij was zeker drie koppen groter en oersterk, het kon haar echter niets schelen en gaf hem een paar goede dreunen. Mafkees. Alleen maar omdat ze voor hem langs liep. Helaas is er vrij weinig nog helder voor haar en het laatste dat ze zich herinnert is dat ze werd opgetild en plotseling liep ze buiten, met Bart en Thomas. Ja, die!
Over een uur komt pas de trein naar Rotterdam en ze heeft het ijskoud. Als Tricia dan ook nog duizelig wordt, begint zij in haar zakken te graaien en een zakje met twijfelachtige inhoud tovert ze tevoorschijn. Haar goede voornemen voor het nieuwe jaar was eerder deze avond, of nacht of ochtend, ze heeft geen idee hoe laat het nu is, om te stoppen met die rarigheid. Niet alleen wat zichzelf betreft, maar ook voor Bart, die sinds het afgelopen jaar had verzonnen dat de primaire en secundaire geslachtsorganen van de vrouw ook nog een ander doel zouden kunnen bewerkstelligen dan die waar ze uiteindelijk voor bedoeld zijn; het binnenhalen van kilo’s drugs. De uitgeholde dildo heeft ze eerder vanavond al weggegooid en haar BH-pads ook. Ze heeft het gehad. De dildo waren ze gaan gebruiken nadat één van de boterhamzakjes het had begeven in haar vagina en ze heeft de trip van haar leven gehad. Als men snel aan de toppen van verbeelding wil belanden, moet men een grammetje in hun weke lichaamsdelen doen, succes verzekerd!
Tricia wordt geduwd en de agressie slaat toe. Het meisje voor haar roept meteen dat het haar spijt en likkebaardend schuift ze hierna dichterbij.
“Hey, schatje…ga je dat alleen opeten?”
Het _bommetje_ verdwijnt in de mond van Tricia, samen met de inhoud van een flesje AA en hierna glimlacht ze naar het meisje. Het blijft een rare wereld, dat houden van iedereen. Daarstraks wilde ze dit zelfde meisje een mep verkopen! De twee meiden zeggen niets tegen elkaar, al begint het lichamelijke contact al snel intiemer te worden. Tricia voelt de enkele vinger van het meisje dat over haar gezicht glijdt, als de streling van een stervende vlinder, bibberig maar intens. Er ontstaan tranen bij dit meisje in haar ogen en dan fluistert zij, heel zacht: “Gelukkig Nieuwjaar…”, waarna hun lippen elkaar vinden en er een zachte kus plaatsvindt. De geur van feromonen, speed, zweet en een zweem Gaultier. Tricia verdwijnt onbeheerst in de broek van dit wildvreemde meisje en in de verte hoort ze Bart, die haar probeert terecht te wijzen, maar ze wil toch al van hem af. Ze weet het, dit meisje komt niet klaar, ze is al te ver heen, maar het voelen van vrouwelijkheid geeft iets extra’s in haar kick: de drugs slaan in. De handen van het meisje bevinden zich in de enorme bos krullen van Tricia en grijpen zich vaster, na iedere beweging meer. Totdat ze wordt weggetrokken door Bart. Tricia is woest en het meisje verdwijnt giechelend, haar broek nog open, de knipoog en ze is spoorloos.
“Er staan verdomme overal mensen, smerige del!”
“Ach, hou toch op! Die zijn allemaal zo ver, of het boeit ze niet of ze vinden het geil, laat me toch!”
“Jij hebt gewoon niet…”
Tricia luistert al niet meer en draait zich om. ‘Gelukkig Nieuwjaar, jongens!’, de stem van de DJ zegt het achter elkaar, in haar hoofd. Ze sluit haar ogen weer, om de menigte om zich heen buiten te sluiten en gaat ervoor staan, genieten van de vlagen in haar hoofd, het tintelende gevoel in haar ledematen en de verstijving van haar borsten. De speed had zij thuis vermengd met fijngestampte XTC en in een zakje, gefabriceerd van vloei, geschept. Het effect is apart en als het niet meer uit te houden is, neemt ze een lijntje cocaïne en deint het weg. Op dit moment is het lang niet zo’n chaos in haar geest en ze opent haar ogen en kijkt naar de lucht. Zwartpaars, vage sterafdrukken en bijzonder gedetailleerde wolken. Van de zomer had zij een pilletje op, dat zo’n uitwerking had dat het leek of alles van veraf vlak voor haar neus stond. De nerven van de bladeren in de hoge bomen van het park kon ze tellen, de lagen van het bladerdek zelf kon ze tellen en iets van een kilometer ver zag ze zó goed, ze zwoer dat ze mieren had kunnen zien lopen. De beïnvloedde nachten heeft ze haar bril of lenzen niet nodig. Echter, nooit eerder of daarna is het nog zó geweest en die nacht heeft zij uren op een oude houten trap gezeten, in het park, om met verwondering te kijken naar het moois van de natuur. Bart had ze knock out geslagen, nadat hij haar herhaaldelijk stoorde in haar reis om de wereld, zodoende had ze van niemand last. Ze is pas naar huis gegaan toen de zon op kwam. Bart morrelde ze wakker en ze stapten op. Eigenlijk vindt Tricia Bart helemaal niet meer zo leuk. Het is hoofdzakelijk de reden dat ze meer drugs is gaan gebruiken. De laatste tijd lijdt ze verschrikkelijk aan achterdochtigheid, maar stoppen met dope zou betekenen dat ze terug moest naar de werkelijkheid en die kan ze niet aan. Gadverdamme, ze wil hier helemaal niet aan denken!
Ze besluit te gaan dansen, zachtjes en alleen. Dartelend over het perron komt ze eerst Thomas tegen en even danst ze met hem, samen zwierend en kussend en uiteindelijk staan ze in een hoek, bij Bart. Wat is er nou gebeurd?
Het nadeel van deze combinatie van drugs een hele nacht lang, zijn de wanen die plotseling komen. Het licht van het perron gaat dan plotseling aan, een stem schalt door de omroephoorn en om zich heen kijkt Tricia angstig naar de kaalkoppende nazi-fanaten. Bibberig vervormen hun gezichten in een razend tempo en Tricia begint te hyperventileren. Zweet loopt over haar gezicht en ze zoekt in haar zakken, ze kan echter niets meer vinden om de eindstreep te halen. Als die hardcore-figuren ontdekken dat ze eigenlijk een zigeuner is, haalt ze het sowieso niet! Daar komt de paniek, eindelijk en ze ziet mannen op zich afkomen, zware stemmen en dan messen, knuppels en…zwart voor ogen. Een seconde, misschien twee, maar doodeng en dan staat ze weer rillerig op haar benen, Bart voor zich met een _ponypack_ in de aanslag. Hij schudt wat in het kuiltje tussen duim en wijsvinger en ze snuift alsof haar leven er vanaf hangt. De trein komt dan met veel lawaai binnen gedonderd en iedereen schuift met elkaar naar de wachtstreep.
In Rotterdam wordt Tricia pas wakker. Gek genoeg voelt zij zich helder en gerust stapt ze samen met Bart en Thomas de trein uit, op weg naar de metro’s. plotseling ziet ze verderop iemand zwaaien en roepen naar hen. Ze zwaait terug en de mannen brommen wat. Eigenlijk weet ze niet eens wie er roept, plotseling begint alles om Tricia heen te tollen en dat ziet ze wat de man die op hen afkomt doet. Hij heeft een kleine cirkelzaag in zijn handen. Hij trekt aan het ding dat zorgt voor een hels geratel en hij stapt genadeloos op hen af, zijn duivelse lach volgend. Tricia handelt razendsnel, stapt naar Bart en grist zijn vlindermes uit zijn binnenzak, om het wapen met een verbluffende snelheid te openen en ze steekt de cirkelzaagkerel neer, één keer, twee keer, drie…en snijd zijn keel door.
Hij zakt in elkaar, Bart en Thomas reageren niet eens…het bloedbad voor hen hult hen in verbijstering.
“Ha!” gilt Tricia hysterisch, “die zag je niet aankomen hè, vriend?”
Ze stort zich dan op hem. Het is de broer van Thomas. Igor. Hij hakkelt nog wat, maar ze verstaat hem niet. Ze vraagt hem waarom hij dat nou deed, ze schrok zich wild! In zijn blik ziet zij zijn verbazing en dat was het: het licht gaat ‘uit’. In zijn handen heeft hij iets vast. Een klein dun dingetje: een kaartje.
‘Lieve Tricia, Gelukkig Nieuwjaar!’. Een kleine roos ingesloten, besmeurt met al het kwaad dat ze veroorzaakt heeft. Maar geen cirkelzaag.
Duikelen in de waarheid
Take 1
Het is in het holst van de nacht, als hij wakker schrikt. Zijn blik op de wekker vertelt hem dat het na drie uur ’s nachts is. Het is al zondag, voor zijn gevoel en in zijn bed ligt hij erg lekker. Hij hoort gedempte stemmen, stil gelach en een meisjesgegiechel. Het geluid komt dichterbij. Rechtop in bed luistert hij naar het lawaai, dat steeds meer decibellen produceert en zijn irritatiegrens is snel bereikt.
Terwijl hij opstaat, voelt hij de boot enigszins schommelen, het is sowieso een onrustige nacht. Hij kleedt zich aan, scheldt in zichzelf; ‘dit is verdomme privéterrein, stelletje alco’s!’ en schuifelt hopelijk onhoorbaar door zijn woonboot. Ieder weekend deelt hij met de andere eigenaren dezelfde ergernissen, nadat de kroegen sluiten en de jeugd zijn weg naar huis weer probeert te vinden. Altijd is er wel iets gaande! Zijn deur kraakt een beetje, maar dan staat hij buiten, de ijzige koude trotserend en zijn soepogen turen de duisternis in, op zoek naar waar de herrie van afkomstig is.
De twee mannen, jonge mannen, staan samen op een andere woonboot. ‘Dit is ongehoord!’ denkt hij bij zichzelf. Twee dronken of minstens goed aangeschoten jonge mannen staan proestend en lachend een beetje keet te schoppen.
“Hey! Weten jullie wel dat jullie op iemand zijn huis staan te springen?”
Hij kan niet verstaan wat er vervolgens gezegd wordt door de twee ondeugden, maar het kan nooit iets vriendelijk geweest zijn. Eén van de twee figuren stampt nog eens extra op het dek van de boot, spreekt iets onverstaanbaars uit tegen de ander en dat is nu juist de spreekwoordelijke druppel: de man gaat er op af!
“Jongens, jullie mogen hier niet komen, wegwezen!” en hij stampt zijn eigen dek over. De idioten lachen alleen nog maar harder en maken nóg meer pokkenherrie, de man bereikt zodoende een woede die buiten proporties raakt.
“Oprotten, jullie! Dit is niet meer normaal, wegwezen, anders kom ik bij je!”
“Meneer, dat moet u…oeps! Vooral doen, wij…”
De drie mannen bereiken elkaar, de eerste klap wordt uitgedeeld. De booteigenaar slaat terug, al is hij helemaal alleen en lijkt niemand hem te horen. Hij is alleen, hij kan twee dronkenlappen nooit aan in zijn eentje! Het gaat helemaal verkeerd aflopen, zo op deze manier. Over en weer vliegen de vuisten door de lucht en uiteindelijk maakt de schipper zijn keuze: hij geeft het tweetal een flinke duw en beiden vallen in het water. De plons is oorverdovend, zo lijkt het tenminste en snel gaat de man naar zijn eigen boot. Dit wordt hem te gortig!
Eenmaal terug in zijn woning, blijft hij in het donker wachten tot hij het plonzen niet meer hoort, stemmen verstillen en voetstappen snel voorbij komen. De adrenaline spuit zijn oren nog uit, al probeert de man te gaan slapen. Hij heeft zijn plicht gedaan vannacht en neemt zich voor met de andere booteigenaren een nachtwacht te organiseren, hij is het meer dan zat!
Het is al licht buiten, als hij wakker wordt na een rusteloze nacht. Het blijft hem dwars zitten, de afgelopen nacht en heeft er zelfs over gedroomd. Wat een gajes, tegenwoordig! Om beter wakker te worden, trekt hij zijn ochtendjas aan en stapt naar buiten. Een frisse neus halen. Terwijl hij zich uitrekt kijkt hij naar de boot van zijn buren. Er is nog geen beweging te zien, al kan hij zich niet voorstellen dat ze vannacht niets hebben gehoord. Zouden ze er niet zijn? Over het water scheert een meeuw, die rakelings langs zijn oren vliegt en krijst met zijn kop gericht naar het water. De man kijkt de richting op, er klotst inderdaad iets tegen de kant van de haven. Tussen de twee boten ziet hij iets drijven en hij kijkt. Het hart van de man begint als een bezetene te bonken en hij gaat zijn waterstok halen, hij gelooft zijn eigen ogen niet. Porrend in het wier en afval in het water, komt langzaam de hoop omhoog en draait in het water naar opzij.
Take 2
De kou overmant hem, beheerst zijn ledematen en proestend komt hij na enige tijd tamelijk ontnuchterd naar boven. Stom, stom, stom! De schok van het prikkende water maakte hem zojuist in één keer in meer heldere staat. Verdomme! Het zal toch niet waar zijn? Hij hoort het klotsen ergens en iemand wegrennen. Is Sam hem nou gepeerd? Samen uit, samen thuis, het zal allemaal wel. Zo snel als hij kan, zwemt hij naar de kade en hijst zich op de kant. Wat is er gebeurd? Hè? Hij tuurt over het water: stilte. Geen beweging, geen geluid. Hij draait zich om, ten einde raad rent hij tot hij plotseling bij vrienden aankomt, verwilderd, blauw aangelopen en onder de douche wordt gezet.
Take 3
Sam en zijn maatje lopen vanuit de kroeg langs de kleine industriehaven. Nadat ze de verschillende vage winkels, restaurants en vrijwel lege parkeervelden voorbij gelopen zijn, oppert zijn dronken vriend dat hij zo graag op een boot zou willen wonen. Sam zelf ziet dat niet zo zitten, maar ach. Het blijft toch een beetje een havenplaatsje. Veel mensen hier dromen van een bootje, om in te wonen of gewoon uit hebberigheid. Zelf niet helemaal helder, heeft Sam zo één, twee, drie niet helemaal door waar zijn vriend het over heeft. Meer is hij bezig met de afgelopen avond, helaas is die voorbij. Plotseling wandelt zijn vriend naar de havenkant, Sam volgt hem om te voorkomen dat hij in het water valt.
“We hadden aan de overkant moeten lopen, Sam. Daar zijn de steigers groter. Ik zou zo graag willen weten hoe dat geschommel voelt…”
“Geschommel? Waarom? Schommelt het nog niet genoeg in je hoofd?”
“Ha ha, grappig! Echt, ik wil zo graag even op een…”
“Nee! Absoluut niet! Ik peins er niet over, nee hoor, we gaan gewoon naar huis nu.”
“Ach, die mensen liggen toch allemaal te slapen en de andere helft is nu leeg. Toeristjes zitten nog in de kroeg, joh! Die blijven altijd hangen tot ze eruit getrapt worden! Zal ik? Heel even maar?”
Dreigend houdt zijn vriend een voet omhoog, om te doen alsof hij één van de boten op wil springen. Sam schiet in de lach en trekt aan de jas van zijn vriend.
“Niet vanavond, jongen! Kom, we gaan naar huis, we moeten nog effe!”
De poort van de Vesting is al in zicht en er is meer drukte. De kroegen zijn gesloten en iedereen wil naar huis. Sam en zijn vriend kunnen inmiddels niet meer ophouden met lachen, vanwege de stompzinnige schijnbewegingen van zijn vriend om te doen alsof hij op boten wilt springen. Dan plotseling stopt zijn vriend en vragend kijkt Sam hem aan. Het einde van de industriehaven.
“Ik ga het doen, Sam.”
“Nee! Mafferd! Dalijk moeten ze jou ook het water vissen, net als die kerel in januari!”
“Ik kan zwemmen, hoor!”
Sam huppelt niet al te rechtvoetig achter zijn vriend aan en ziet dat hij de sprong neemt. Het geeft een enorme klap en Sam schiet onbedaarlijk in de lach en wil zijn vriend terugroepen. Hij luistert niet, voelt zich daarom gedwongen zijn vriend te gaan halen. Erachteraan springend, komt hij lelijk terecht en de jongens kunnen niet meer stoppen met het hese lachen. Bang dat iemand hen hoort, is Sam niet meer, zijn lachstuip beheerst hem volkomen.
“Hey,” komt er ergens vandaan. “Weten jullie wel dat jullie op iemand zijn huis staan te springen?”
“Shit! Bukken!” fluistert Sam tegen zijn vriend, terwijl hij niet kan ophouden te lachen. Zijn vriend wil wat terugroepen naar de man, komt niet uit zijn woorden en struikelt. Sam grijpt hem vast om te voorkomen dat ze met natte kleren aan naar huis moeten lopen. Op het moment dat de man roept dat ze weg moeten gaan, staat Sam op de tenen van zijn vriend, de boot gaat heen en weer en bijna vallen zij overboord. Kwaad loopt de man op hen af en Sam duwt zijn vriend ook die kant uit. Hij weet dat ze hier niet mogen zijn en wil dit uitleggen aan de man, die dreigend roept dat hij ze eigenhandig van de boot af komt jagen. Misschien, als Sam het uitlegt, dat de man wil helpen?
“Meneer, dat moet u vooral doen, oeps! Wij…”
Sam valt en probeert zich vast te grijpen aan iets of iemand, wat hem lukt. Te snel voelt hij iets in zijn gezicht terecht komen, wilt zich af zetten en ziet dan de vuist van de woedende man. Een nietszeggend gevecht is het resultaat en plotseling liggen hij en zijn vriend in het water. Tijd om naar boven te komen heeft hij niet, water stroomt als vanzelf zijn longen binnen. Kijkend naar boven ziet hij een flauw schijnsel van het maanlicht, als een schijnwerper op zijn lot. Vreemd genoeg verkeert hij in een bepaalde roes, een hogere sfeer. Hij sterft en hij weet het. In shock bereikt hij de bodem van de haven. Paniek slaat toe en dan is er niets anders dan het donkere gat, waarin hij wordt verzwolgen.
Scherven
Jasper kocht het boek nadat hij de planken in de kleine winkel was nagelopen voor iets grimmigs. Grimmig, de stemming waarin hij verkeerde. Het boek bleek oud en vuil en zeker zijn prijs niet waard, maar ach, hij had meer dan genoeg. Wat maakten die paar pond dan nog uit? Het dikke geval zou zeker indruk maken op het personeel in het huis van zijn ouders. Vooral Elizabeth, hij verheugde zich al op de blik die ze naar hem zou zenden. Dromerig dacht hij terug aan haar groene, felle ogen. Die ogen, als een meer van emoties, die hij steeds beter leerde kennen.
Zijn auto, een patserige Honda Civic met een print die hij heeft laten spuiten van iets snels en gevaarlijk, staat nu te blinken in de zeldzame aanwezigheid van de zon. Nadat hij het hek had gesloten, besloot hij de oprit gewoon lopend af te leggen. Het zakje, waar het boek in had gezeten, heeft hij in de auto achtergelaten. Zo kan hij laten zien aan de dames hoe intellectueel hij is! Hij grinnikt, zonder reden en denkt terug aan de afgelopen tijd. Hij heeft zich bezeten gevoeld, na zijn gerommel in die oude, stoffige zolder. De dromen die hij had waren bovenmenselijk en hoewel zijn moeder steeds klaagt hoezeer hij is veranderd, zelf vindt hij dat hij weer redelijk zichzelf is. Ten slotte besloot hij toch zelf op een goede dag dat het afgelopen moest zijn met die onzin en rommel in zijn kop en sindsdien gaat het wel lekker. Nog altijd vraagt hij zich af hoe het nu precies zit; dat oude tuinhuis op het landgoed, waar hij bij uit de buurt is gebleven nadat hij stemmen hoorde in een voorbijkomende vlaag wind. De dromen waarin de personen voorkwamen die hier zijn gestorven in het verleden. Waarom juist hij dat kleine zolderkamertje moest ontdekken met de oude prenten. Echter, het is nu al een tijdje geleden dat er voor het laatst iets bizars gebeurde.
De lange weg is aan zijn einde en zijn ogen zoeken, naar haar. Uiteindelijk ziet hij Elizabeth op de eerste verdieping en ze is bezig in één van de kledingkamers. Terwijl hij naar haar kijkt, al is staren meer het goede woord, blikt zij op een bepaald moment terug en hij zwaait naar haar met zijn boek. Gelukkig, ze zwaait terug, al staat haar grijns wat onecht. Jasper weet nog altijd niet zeker of ze hem nou interessant of eng vindt. Eigenlijk maakt het hem niet zo gek veel uit, ze is hier toch.
Nadat hij binnen is gekomen, rent hij met drie treden tegelijk de trap op en komt haar tegen op de hal van de eerste verdieping, blijkbaar is zij klaar met de kamer. Een moment kijken ze elkaar alleen maar aan, Jasper mompelt gedag en zwaait zijn boek omhoog. Hij ziet haar kijken, al kan hij niets opmaken uit haar uitdrukking. Hij draait zich maar weer om, plotseling kan het hem niets meer schelen. Hij heeft dat wel vaker dat ineens alles onbelangrijk lijkt. Toch hoort hij haar voetstappen achter zich. Zou ze dan echter hem aan…? Lachend loopt hij steeds sneller en is bijna bij zijn eigen kamer als hij zich omdraait. Ze is er niet.
Geïrriteerd duwt hij zijn deur dicht en gooit het boek op een kleine tafel bij zijn sofa. Hierna gaat hij naar zijn badkamer, kleed zich om en trekt een gemakkelijk joggingpak aan om relaxed te kunnen gaan lezen. Sloffend naar zijn sofa zet hij wat lampen aan met als laatste de vitrinekast, die een zachte gloed geeft. Jasper krijgt er altijd een loom, romantisch gevoel van, kaarsen zijn hier niet nodig! Hij pakt neuriënd zijn boek, de zware pil waarin hij zich zal verdiepen de komende tijd en laat zich op de sofa neerploffen. Hij hoort één van de glazen deuren van de vitrinekast trillen, zodat hij opstaat en de sofa weer een stukje van de kast afschuift. ‘Wat een domme koeien, die wijven!’ denkt hij. Wie zet er nou een bank tegen een kast? Dan hoort hij iets, komt er iemand binnen? Zonder kloppen? Jasper loopt naar de ingang van zijn kamer en ziet de deur op een kier staan. Zijn laatste stappen zijn vlug en snel kijkt hij de gang op; niemand. Hij haalt zijn schouders op en doet zijn deur op slot.
Hij ligt dan eindelijk op zijn sofa, zijn boek in zijn handen en met verdwaalde ogen staart hij naar het plafond. Nog net kan hij denken aan de kamermeisjes, die soms zo dom kunnen zijn als hij met verbazing ziet dat zijn kast een beetje wiebelt. Net heeft hij toch de sofa goed geschoven? Terwijl hij omhoog wil komen, gaat het ding nog meer heen en weer en hij blijft stokstijf in zijn houding zitten. Nou ja, hangen is een beter woord. De kast wiebelt niet meer en Jasper durft weer diep adem te halen en verliest dan zijn evenwicht. De kast komt snel op hem af maar tijd om te schrikken heeft hij niet. In een reflex reageert hij door zijn armen uit te steken en die gaan dwars door de glazen deuren heen. Hard komt de kast bovenop hem terecht en een pijnscheut trekt door zijn schenen, waarna hij iets voelt glijden. Dan knapt er iets en dan is hij in één keer helemaal nat. Hij begint te hyperventileren en durft nauwelijks te kijken, zijn gevoel zegt dat het erg is, heel erg. Hij kan nog net zien dat er bloed is en voelt dan pas een steek in zijn beide armen.
Het is doordat hij huilt dat hij voelt dat er iets op zijn keel ligt. Een stakerige punt voelt hij en hij durft niet om hulp te roepen. De duw die volgt is genadeloos, evenals haar lach en hij kan niet meer om de duisternis heen, die hem inhaalt, samen met het besef dat hij niet alleen is.
NB fragment uit: Het Tuinhuis
Spannend
De kinderen in de straat zien haar aankomen en vragen zich af wat ze gaan doen. Hoe doet zij vandaag? Wat doet zij vandaag? Onderwijl lopen haar hondjes alvast vooruit en de blik van de vrouw wordt aangetrokken door de kinderen. Spelende kinderen. En dat terwijl ze zo’n hoofdpijn heeft.
Het is weer niet gelukt de afgelopen nacht. Ze voelt zich iemand maar ook niemand en ze probeert te bedenken of de strepen op haar polsen nu van daarstraks waren of van vannacht. Ze bekijkt haar armen, terwijl zij ze langzaam omhoog laat gaan en dan ziet ze de barst. Oeps, iets teveel gedronken. Het bloed stroomt uit de barst, een oude korst van…gisteren? Vorige week?
De kinderen staren verschrikt en enkelen rennen gillend naar huis. Er komen buurvrouwen naar buiten, buurmannen en het geschreeuw gaat totaal langs haar heen. Ze laat haar armen hangen, druppels op de stoep, zij ziet ze maar het voelt niet alsof het háár deel is dat haar lichaam verlaten heeft. Wankelend en struikelend loopt ze door, haar hondjes achterna.
Eenmaal de hoek om, ziet ze bekende huizen, schimmen en dieren die ze iedere dag ziet. Tegenwoordig zegt niemand meer iets tegen haar. Graag zou zij dat anders zien. Het middelste huis in de rij voor haar, springt er uit. Daar is iets, meer dan niets en misschien…ze trekt de ouderwetse bel uit de post, één keer, twee keer, drie keer…de woedende buurman stormt zijn gang in en schuift zijn deurgordijn opzij.
“Meneer? Zou u even open kunnen doen? Het is belangrijk!”
De man tikt op zijn voorhoofd en schreeuwt dat ze zich eerst eens op moet laten knappen. Verbaasd kijkt ze omlaag en ziet de spatten bloed, de bruinrode vegen en andere vlekken.
Ze hoort vaag één van haar hondjes blaffen en plotseling hoort ze dit heel hard, alsof het beest in haar oor is gaan zitten. Ze kijkt weer op en de buurman is verdwenen. Nogmaals trekt ze het oude ding uit het houtwerk, maar tevergeefs. Geen contact. Zich omdraaiend, loopt zij naar het volgende huizenblok. Even weet ze niet waar ze is, maar dan ziet ze een vrouw door haar tuin lopen. Ze veegt iets aan, haar zoontje loopt heen en weer, brabbelend. Misschien…
De vrouw veegt het laatste restje bladeren in een hoek, om vervolgens de biobak er naar toe te schuiven. Het is de laatste tijd echt herfst en constant veegt ze van alles aan. Ze kijkt naar haar dreumes, die vrolijk in de berg dorre bladeren is gaan zitten en de vrouw lacht hierom. Ze bukt en raapt een berg boomrestanten op en nadat ze zich weer naar haar zoontje omdraait, ziet ze zijn witte gezichtje en de tranen in zijn ogen. Snel werpt zij zelf haar hoofd de kant uit, die haar zoontje blijkbaar bang maakt. De vrouw slaakt een kreet, zij staat neus aan neus met de vrouw van een paar straten verderop. Haar honden blaffen wild en onophoudelijk tegen haar zoontje en in één stap is ze bij hem.
“Mevrouw, gaat u alstublieft weg! U maakt mijn kind bang! Al eerder heb ik tegen u gezegd dat u niet meer mag komen. Dit is verdomme míjn tuin!”
“Mag ik…”
“Nee! U mag niets!”
“Maar…mijn geld is op en…”
“Ja, en? Ga weg! Anders ben ik genoodzaakt wederom de politie te bellen!”
De bloedende vrouw laat haar sporen na en verdwijnt, schuifelend naar de steeg naast de rij tuinen van dit huizenblok. Er moet toch iemand haar geld willen geven? Voelend aan de hekken loopt ze langzaam verder. Deze tuin niet, die dame heeft onlangs tegen haar gezegd dat ze moet oppassen voor haar leven. Haar leven of die van de vrouw? Of het kind van de vrouw? Ze snapt het even niet meer. Misschien straks…ze klopt op het raam van de tuindeur. Geen idee hoe ze hier nu eigenlijk naar binnen is gelopen. Ze ziet de buurman rustig naar haar toelopen en hij doet open.
“Wat is er nou weer? Ik heb toch gezegd dat je weg moet blijven? We willen je niet meer zien. Na de laatste keer…”
“Ja, maar de buurtkinderen maken soms zo’n herrie, ik kan daar niet goed tegen. Heeft u…”
“Je kunt kinderen niet te lijf gaan met messen enzo, je mag andermans kinderen niet schoppen of slaan! Ook moet je niet steeds bij iedereen om geld en eten vragen. Ik heb al gezegd; zoek hulp. Je kan ook gewoon stoppen met zuipen!”
De woede borrelt in hun op, terwijl ze luisteren naar wat er in de tuin ernaast gebeurt. De gek van de buurt wilt weer eens niet luisteren en gaat niet weg. Ze horen haar schreeuwen dat ze dan maar dood wil en dat niemand om haar geeft. De buurman probeert het nog rustig en stuurt haar weg met de boodschap dat ze dat dan maar in haar eigen huis moet doen. Tierend horen ze de buurtgek door de tuin springen en haar honden lopen in de steeg voorbij, met de staart tussen de benen. Plotseling staat de buurtgek dan oog in oog met de voor haar of wie dan ook zijn leven vrezende buurvrouw. Ze zegt iets tegen haar.
“Moet ik je anders een handje helpen? Blijf gewoon weg, je woont dáár!”
Ze wijst met de vinger in de lucht naar rechtsboven en komt op haar af. De verwarde vrouw raakt in paniek.
“Jij! Jij bent een moordenaar! Jij wilt mij dood hebben!”
Ze stormt op haar buurvrouw af en ze ziet daarachter dat het kleine mensje met haar neus tegen de deur gedrukt staat en daarachter staan nog meer mensen. Ze moet nú toeslaan en laten zien dat ze sterk is. Dan hadden ze haar maar moeten helpen. De vrouw voor haar, woede in haar ogen, heeft een zware operatie achter de rug. Als zij nou eens daar…
Dubbel gevouwen en met al haar oerkracht moet zij haar energie gebruiken om de vrouw uit de steeg te jagen. Ze voelt het bloed tussen haar benen weglopen, maar het kan haar niets schelen. Deze vrouw is een gevaar en moet weg. De buurtgek lacht, hard en schel en haar bloedende polsen maken het beeld compleet. De schel keffende honden springen om haar heen, bang, uitgelaten? En ze verdwijnt.
De ochtend is voorbij, ze zal gaan slapen en vanavond weer toeslaan. Overal aanbellen, totdat de drank haar weer roept. Totdat het mes wat ze altijd bij zich draagt uit de vaatwasser komt. Totdat ze beseft dat ze ook moet eten, maar haar geld op is. En niet meer het statiegeld van de kratten in kan leveren, want daar is het al te laat voor.

|